Over land van Nederland naar Singapore in statistieken:
Afgelegde kilometers (exclusief vliegen): ± 31.000
Aantal dagen: 131
Aantal landen: 21
69 bussen
35 minibusjes
12 treinen
11 boten
65 taxiritten
31 keer gelift
Aantal nachten in een bus doorgebracht: 12
Aantal nachten in een trein doorgebracht: 10
Aantal verschillende hotels, hostels en guesthouses: 42
9 reisgidsen versleten
11 (motor)fietsen gehuurd
2018 foto's gemaakt
Financiën:
Kosten visums: € 320,-
Kosten vliegtickets: € 350,-
Kosten van de tien duurste trein- en busritten: € 560,-
Totaal uitgegeven (inclusief alles): € 2.700,-
Top 5 hoogtepunten:
- Esfehan [Iran]
- Angkor Wat [Cambodja]
- Hunza [Pakistan]
- Istanbul [Turkije]
- Kasjgar [China]
Tot slot, een filmpje:
Over land van hier naar daar..
Mijn route door Azie weergeven op een grotere kaart
8 januari 2010
Zuidoost-Azie
17 december 2009
Laos
De enige grensovergang tussen China en Laos ligt ver weg van de bewoonde wereld in een dicht oerwoud en om er te komen moest ik een lange nacht in een Chinese slaapbus doorbrengen. Toen ik bij de grens aankwam werd het al meteen duidelijk dat ik naar een land ging dat totaal anders is dan al mijn vorige landen.
Aan de Chinese zijde van de grens stond temidden van een plakkaat asfalt een groot, wit gebouw. Het had zo'n lelijk McDonalds-restaurant kunnen zijn als het in Nederland langs de snelweg stond, maar het was een uit de kluiten gewassen douanekantoor. De Laotiaanse grenspost was daarentegen niets meer dan een houten hut op een modderige open plek. Waar de Chinese douanebeambten nog ontzettend moeilijk deden over mijn baard die niet op mijn paspoortfoto stond werd ik door de Laotianen vriendelijk ontvangen met een spontane groet ('sabaidie!') en een grote glimlach.
Toen ik alle benodigde paspoortstempels verzameld had liep ik door de jungle naar Laos, over een geasfalteerde weg die precies op de grens overging in een modderig landweggetje. Even verderop vond ik een gehavend busje - dat zo te zien al een zwaar leven achter de rug had - dat mij verder Laos in zou brengen. Na ongeveer tien uur rijden (de bus kreeg onderweg twee lekke banden) over hobbelige weggetjes en langs bamboehutten kwam ik aan in Luang Prabang, de eerste Laotiaanse stad na de grens.

Ik heb in de twee weken dat ik in Laos was voor een groot gedeelte de Mekong-rivier stroomafwaarts gevolgd. De plaatsen die ik bezocht heb zijn Luang Prabang, Vang Vieng, Vientiane, Pakse, Lad Lo en Don Det. Een gedeelte van deze route vormt een onderdeel van de populaire 'bananenpannenkoekenroute' waardoor ik me in een klap tussen een horde toeristen bevond die allemaal dezelfde route door Zuidoost-Azie reisden.
Het was voor mij wel een shock om ineens zoveel toeristen om me heen te hebben. Tussen Istanbul en Laos kwam ik slechts zo nu en dan andere reizigers tegen. Af en toe waren het verdwaalde hippies, gekleed in wijde broeken en losse hemden en met een bos dood haar op hun hoofd. Maar meestal waren de reizigers die ik in het Midden-Oosten en in Centraal Azie tegenkwam echte avonturiers, die de hoogste bergen beklommen, die op de fiets de wereld rondgingen of vaak nog veel eigenaardigere avonturen. Zo ontmoette ik een Zwitser die op een ezel door Azie reisde, een Duitser die met zijn twee bouviers in Afghanistan ging wandelen en een Deens echtpaar dat al voor anderhalf jaar op huwelijksreis was!

In China was het weer een heel ander soort reiziger dat ik tegenkwam. Zo trof ik in Chengdu veel westerlingen die op weg waren naar Tibet. Ik kon het vaak niet zo goed met de Tibetgangers vinden omdat zij alleen maar over Tibet en de Dalai Lama praatten, en er probeerde altijd wel iemand tegen mij de expert uit te hangen over Chinese politiek. Daar zaten overigens veel Nederlandse vakantiegangers tussen, voornamelijk dertigers die in een dure North Face-outfit rondliepen en die dagelijks minstens een tube anti-bacteriële handgel opmaakten. Ze hadden bij Djoser een kant-en-klare reis geboekt en kregen zodoende de complete China-ervaring in hapklare brokjes opgediend. Ik moet zeggen dat ik ook wel een beetje jaloers op ze was omdat zij wel naar Tibet gingen (en dat ik daarom een beetje cynisch en wantrouwend tegenover hun manier van reizen stond).
Nee, in Laos trof ik weer een totaal ander type reiziger aan, namelijk de feestjongeren, jongenlui van mijn leeftijd die net als ik nog niet aan het arbeidersleven wilden beginnen. Maar in tegenstelling tot mij reisden zij op kosten van pappie en waren zij voornamelijk geïnteresseerd in zonnebaden en drinken en roken en waar ze verder ook maar op kickten.

Van alle plaatsen die ik in Laos bezocht was Vang Vieng het meest bizar. Ik was nog maar net gearriveerd en ik werd al bijna overhoop gelopen door een Duitser die naakt over straat rende terwijl hij een bierfles tussen zijn billen geknepen hield. Even verderop stonden drie dronken Engelse meiden in hun bikini met ieder een fles rode wodka in de hand midden op straat te dansen (alhoewel, hoelahoepen met de vetrollen misschien een betere omschrijving is). Het leek wel of Vang Vieng compleet was overgenomen door de rugzaktoeristen. De restaurants waren uitgerust met grote tv-schermen waarop dag en nacht domme Hollywood-series werden getoond. En het gekke was dat de terrassen dag en nacht gevuld waren, met Amerikanen die afreisden naar een van de mooiste landen ter wereld om daar dronken te worden tijdens het kijken van oude afleveringen van Friends.
Maar het was uiteraard niet alleen de alcohol die de jongeren er toe deed bewegen om in allerlei stadia van naaktheid gillend over straat te rennen. Je kon er namelijk voor heel weinig geld je pizza of shake 'happy' laten maken. Dat die toevoeging niet altijd zuivere koffie was bleek wel toen ik op een avond op het terras de Finse jongen zag zitten met wie ik de avond ervoor op diezelfde plek een biertje had gedronken. 'Goh, zit je hier nu al weer?' vroeg ik toen ik naar hem toe liep. 'Nee, ik zit hier nogsteeds!' antwoordde de Fin. Hij had de avond ervoor een happy-shake genomen en zat nu al vierentwintig uur klaarwakker naar Simpsons te kijken!

Ik vond het allemaal maar niks. Gelukkig was het voor mij niet moeilijk om de westerse jeugd in Laos te vermijden, want ze waren kortzichtig en gebruikten allemaal dezelfde Lonely Planet-reisgids. In Vang Vieng bijvoorbeeld hoefde ik maar vijf minuten te lopen om me te omringen met landschappelijke schoonheid waar geen westerling te bekennen was. Ik heb er dan ook veel gewandeld, door de rijstvelden en in de hoge, glooiende heuvels bedekt met weelderige jungle. Daarnaast huurde ik regelmatig een fiets of motorfiets om gebieden van Laos te bezichtigen waar het leven nog oorspronkelijk, ongerept en onbedorven was. En wanneer ik me aan het einde van de dag weer mengde in het backpackwereldje vond ik altijd wel iemand om een biertje mee te drinken.
Eten deed ik - zoals altijd al tijdens de reis - vooral bij kraampjes langs de weg (als ik de GG&GD moet geloven dan had ik al lang overleden moeten zijn aan voedselvergiftiging). Dus terwijl de toeristen kozen voor Family Guy bij hun dure burger met friet ging ik op zoek naar een straatstalletje om te midden van de lokale bevolking een bordje gebakken rijst of een kommetje noedels met slappe groeten te eten.
De toeristen lieten zich door Laos rijden in superdeluxe VIP-express aircobussen en ook dat vond ik maar niks. Ik probeerde zoveel mogelijk mijn eigen vervoer te regelen door langs de weg te gaan staan en maar af te wachten wie of wat me mee zou nemen. Zo zat ik op weg naar Vientiane een hele middag op een plastic tuinstoel tussen de zakken rijst in de laadbak van een pickup-auto. Ik vond het prachtig, en de dorpelingen ook!

Ik besloot de laatste vier dagen van mijn bezoek aan Laos door te brengen op een klein eilandje in de Mekong, in een gebied dat 'De 4000 Eilanden' heet (wat ik een schitterende naam vind omdat het suggereert dat er ooit iemand op uit is gestuurd om de eilanden te tellen, maar die vlieger gaat voor de relaxte Laotianen natuurlijk niet op). Ik vond er een vervallen bungalow aan de waterkant dat ik van een boerenfamilie kon huren voor 15.000 KIP per dag (iets meer dan een euro). Het was een eenvoudig hutje van hout, bamboe en gevlochten palmbladeren en er was geen elektriciteit of stromend water aanwezig. In de bungalow lag een oud matras en op de veranda hing een hangmat - meer heb je toch ook niet nodig - en een scala aan insecten en reptielen kreeg ik er gratis bij. Iedere morgen werd ik gewekt door het gekraai van de schorre hanen die onder de bungalow zaten. In de rivier waar ik vanuit mijn hangmat op uit keek vermaakten jochies zich door van een koe te springen die ze tot buikhoogte in het water hadden gezet. Een vet, albino varken moest ik steeds weer van mijn veranda afschoppen omdat het beest het leuk vond de deur te blokkeren. Maar dat was dan ook het meest inspannende wat ik deed, want verder deed ik er al de dagen... niks!
Toen ik niet meer wist hoe lang ik al op het eiland zat leek het mij tijd om verder te gaan. Ik ging in een boomstamkano met buitenboordmotor naar het dichtstbijzijnde dorpje op het vaste land. Daar vond ik een man die mij achter op zijn brommer naar de grens wilde brengen, 25 kilometer verderop. Even later liep ik met tegenzin de grens over naar Cambodja, want ik vond het heel jammer Laos - mijn nieuwe favoriete land! - te moeten verlaten.
Aan de Chinese zijde van de grens stond temidden van een plakkaat asfalt een groot, wit gebouw. Het had zo'n lelijk McDonalds-restaurant kunnen zijn als het in Nederland langs de snelweg stond, maar het was een uit de kluiten gewassen douanekantoor. De Laotiaanse grenspost was daarentegen niets meer dan een houten hut op een modderige open plek. Waar de Chinese douanebeambten nog ontzettend moeilijk deden over mijn baard die niet op mijn paspoortfoto stond werd ik door de Laotianen vriendelijk ontvangen met een spontane groet ('sabaidie!') en een grote glimlach.
Toen ik alle benodigde paspoortstempels verzameld had liep ik door de jungle naar Laos, over een geasfalteerde weg die precies op de grens overging in een modderig landweggetje. Even verderop vond ik een gehavend busje - dat zo te zien al een zwaar leven achter de rug had - dat mij verder Laos in zou brengen. Na ongeveer tien uur rijden (de bus kreeg onderweg twee lekke banden) over hobbelige weggetjes en langs bamboehutten kwam ik aan in Luang Prabang, de eerste Laotiaanse stad na de grens.
Ik heb in de twee weken dat ik in Laos was voor een groot gedeelte de Mekong-rivier stroomafwaarts gevolgd. De plaatsen die ik bezocht heb zijn Luang Prabang, Vang Vieng, Vientiane, Pakse, Lad Lo en Don Det. Een gedeelte van deze route vormt een onderdeel van de populaire 'bananenpannenkoekenroute' waardoor ik me in een klap tussen een horde toeristen bevond die allemaal dezelfde route door Zuidoost-Azie reisden.
Het was voor mij wel een shock om ineens zoveel toeristen om me heen te hebben. Tussen Istanbul en Laos kwam ik slechts zo nu en dan andere reizigers tegen. Af en toe waren het verdwaalde hippies, gekleed in wijde broeken en losse hemden en met een bos dood haar op hun hoofd. Maar meestal waren de reizigers die ik in het Midden-Oosten en in Centraal Azie tegenkwam echte avonturiers, die de hoogste bergen beklommen, die op de fiets de wereld rondgingen of vaak nog veel eigenaardigere avonturen. Zo ontmoette ik een Zwitser die op een ezel door Azie reisde, een Duitser die met zijn twee bouviers in Afghanistan ging wandelen en een Deens echtpaar dat al voor anderhalf jaar op huwelijksreis was!
In China was het weer een heel ander soort reiziger dat ik tegenkwam. Zo trof ik in Chengdu veel westerlingen die op weg waren naar Tibet. Ik kon het vaak niet zo goed met de Tibetgangers vinden omdat zij alleen maar over Tibet en de Dalai Lama praatten, en er probeerde altijd wel iemand tegen mij de expert uit te hangen over Chinese politiek. Daar zaten overigens veel Nederlandse vakantiegangers tussen, voornamelijk dertigers die in een dure North Face-outfit rondliepen en die dagelijks minstens een tube anti-bacteriële handgel opmaakten. Ze hadden bij Djoser een kant-en-klare reis geboekt en kregen zodoende de complete China-ervaring in hapklare brokjes opgediend. Ik moet zeggen dat ik ook wel een beetje jaloers op ze was omdat zij wel naar Tibet gingen (en dat ik daarom een beetje cynisch en wantrouwend tegenover hun manier van reizen stond).
Nee, in Laos trof ik weer een totaal ander type reiziger aan, namelijk de feestjongeren, jongenlui van mijn leeftijd die net als ik nog niet aan het arbeidersleven wilden beginnen. Maar in tegenstelling tot mij reisden zij op kosten van pappie en waren zij voornamelijk geïnteresseerd in zonnebaden en drinken en roken en waar ze verder ook maar op kickten.
Van alle plaatsen die ik in Laos bezocht was Vang Vieng het meest bizar. Ik was nog maar net gearriveerd en ik werd al bijna overhoop gelopen door een Duitser die naakt over straat rende terwijl hij een bierfles tussen zijn billen geknepen hield. Even verderop stonden drie dronken Engelse meiden in hun bikini met ieder een fles rode wodka in de hand midden op straat te dansen (alhoewel, hoelahoepen met de vetrollen misschien een betere omschrijving is). Het leek wel of Vang Vieng compleet was overgenomen door de rugzaktoeristen. De restaurants waren uitgerust met grote tv-schermen waarop dag en nacht domme Hollywood-series werden getoond. En het gekke was dat de terrassen dag en nacht gevuld waren, met Amerikanen die afreisden naar een van de mooiste landen ter wereld om daar dronken te worden tijdens het kijken van oude afleveringen van Friends.
Maar het was uiteraard niet alleen de alcohol die de jongeren er toe deed bewegen om in allerlei stadia van naaktheid gillend over straat te rennen. Je kon er namelijk voor heel weinig geld je pizza of shake 'happy' laten maken. Dat die toevoeging niet altijd zuivere koffie was bleek wel toen ik op een avond op het terras de Finse jongen zag zitten met wie ik de avond ervoor op diezelfde plek een biertje had gedronken. 'Goh, zit je hier nu al weer?' vroeg ik toen ik naar hem toe liep. 'Nee, ik zit hier nogsteeds!' antwoordde de Fin. Hij had de avond ervoor een happy-shake genomen en zat nu al vierentwintig uur klaarwakker naar Simpsons te kijken!
Ik vond het allemaal maar niks. Gelukkig was het voor mij niet moeilijk om de westerse jeugd in Laos te vermijden, want ze waren kortzichtig en gebruikten allemaal dezelfde Lonely Planet-reisgids. In Vang Vieng bijvoorbeeld hoefde ik maar vijf minuten te lopen om me te omringen met landschappelijke schoonheid waar geen westerling te bekennen was. Ik heb er dan ook veel gewandeld, door de rijstvelden en in de hoge, glooiende heuvels bedekt met weelderige jungle. Daarnaast huurde ik regelmatig een fiets of motorfiets om gebieden van Laos te bezichtigen waar het leven nog oorspronkelijk, ongerept en onbedorven was. En wanneer ik me aan het einde van de dag weer mengde in het backpackwereldje vond ik altijd wel iemand om een biertje mee te drinken.
Eten deed ik - zoals altijd al tijdens de reis - vooral bij kraampjes langs de weg (als ik de GG&GD moet geloven dan had ik al lang overleden moeten zijn aan voedselvergiftiging). Dus terwijl de toeristen kozen voor Family Guy bij hun dure burger met friet ging ik op zoek naar een straatstalletje om te midden van de lokale bevolking een bordje gebakken rijst of een kommetje noedels met slappe groeten te eten.
De toeristen lieten zich door Laos rijden in superdeluxe VIP-express aircobussen en ook dat vond ik maar niks. Ik probeerde zoveel mogelijk mijn eigen vervoer te regelen door langs de weg te gaan staan en maar af te wachten wie of wat me mee zou nemen. Zo zat ik op weg naar Vientiane een hele middag op een plastic tuinstoel tussen de zakken rijst in de laadbak van een pickup-auto. Ik vond het prachtig, en de dorpelingen ook!
Ik besloot de laatste vier dagen van mijn bezoek aan Laos door te brengen op een klein eilandje in de Mekong, in een gebied dat 'De 4000 Eilanden' heet (wat ik een schitterende naam vind omdat het suggereert dat er ooit iemand op uit is gestuurd om de eilanden te tellen, maar die vlieger gaat voor de relaxte Laotianen natuurlijk niet op). Ik vond er een vervallen bungalow aan de waterkant dat ik van een boerenfamilie kon huren voor 15.000 KIP per dag (iets meer dan een euro). Het was een eenvoudig hutje van hout, bamboe en gevlochten palmbladeren en er was geen elektriciteit of stromend water aanwezig. In de bungalow lag een oud matras en op de veranda hing een hangmat - meer heb je toch ook niet nodig - en een scala aan insecten en reptielen kreeg ik er gratis bij. Iedere morgen werd ik gewekt door het gekraai van de schorre hanen die onder de bungalow zaten. In de rivier waar ik vanuit mijn hangmat op uit keek vermaakten jochies zich door van een koe te springen die ze tot buikhoogte in het water hadden gezet. Een vet, albino varken moest ik steeds weer van mijn veranda afschoppen omdat het beest het leuk vond de deur te blokkeren. Maar dat was dan ook het meest inspannende wat ik deed, want verder deed ik er al de dagen... niks!
Toen ik niet meer wist hoe lang ik al op het eiland zat leek het mij tijd om verder te gaan. Ik ging in een boomstamkano met buitenboordmotor naar het dichtstbijzijnde dorpje op het vaste land. Daar vond ik een man die mij achter op zijn brommer naar de grens wilde brengen, 25 kilometer verderop. Even later liep ik met tegenzin de grens over naar Cambodja, want ik vond het heel jammer Laos - mijn nieuwe favoriete land! - te moeten verlaten.
1 december 2009
China [deel 2]
Mijn tweede bezoek aan China tijdens deze reis duurde twaalf dagen en in die twaalf dagen heb ik China diagonaal doorkruist, van de Kazachstaanse grens helemaal tot aan Laos - een afstand van bijna 5000 kilometer. Ik moet toegeven dat ik het reizen in China lichtelijk onderschat heb. De afstanden die ik moest afleggen waren bedrieglijk groot, de treinen en bussen waren langzamer dan ik had verwacht en de irritante Chinezen brachten mij regelmatig tot wanhoop. Uiteindelijk heb ik om China door te komen drie keer een halve etmaal en vier keer een hele etmaal in de trein en bus doorgebracht.

Om in China te komen nam ik vanuit Almaty in Kazachstan een bus naar de dichtstbijzijnde Chinese stad, Urumqi. De rit nam 22 uur in beslag en ik bleek weer eens een zeer interessante bus te hebben uitgekozen, want al mijn medepassagiers waren vrouwen die naar de dokter gingen! De kazachstaanse vrouwen ondernamen deze trip omdat, zo vertelden ze mij, de gezondheidszorg in China goedkoper en beter is dan in Kazachstan.
Als enige mannelijke passagier (toevallig ook een knappe, gezellige westerling) had ik tijdens de busreis aan belangstelling geen gebrek. Door een vrouw die een beetje Duits sprak werden de vragen die ze mij stelden en mijn antwoorden daarop vertaald. Hoe ik het ze ook uitlegde, het gezelschap van vrouwen kon maar niet geloven dat iemand het leuk vindt om in zijn eentje door Azie te reizen. Net zoals ze in Iran maar niet begrepen dat ik een atheist ben en zoals ze in Pakistan maar niet konden geloven dat ik geen millionair ben, zo konden de Kazachstaanse vrouwen niet begrijpen waarom iemand alleen door Azie gaat reizen. Ik vrees dat hun uiteindelijke conclusie was dat ik geestelijk niet helemaal in orde ben en dat ik maar beter met ze mee kon gaan naar de dokter.
In zekere zin deed ik dat ook, want voordat we China in mochten werden we door Chinezen met doktersjassen en mondkapjes onderworpen aan een medisch onderzoek!
China is een beetje paranoide als het gaat om ziektes, daarom werden we bij de grens eerst naar een klein ziekenhuisje gestuurd met de lange naam: Foreign Affairs Custom Frontier Inspection & Qarantine and Management Department of International Road Transportation. De Chinezen namen daar onze lichaamtemperatuur op en we moesten een verklaring ondertekenen waarin dingen stonden over allerlei enge virussen. Ik vond het wel ironisch dat de Kazachstaanse vrouwen eerst gezond verklaard moesten worden voordat ze naar de dokter mochten.

Ik had in de bus amper geslapen en toen we de volgende morgen om half vijf in Urumqi aankwamen was ik niet te genieten. Ik gooide mijn tas en mijzelf in de dichtstbijzijnde taxi en om duidelijk te maken waar ik naar toe wilde deed ik naar de taxichauffeur iets van 'tjoeke tjoeke tuut tuut'. Even later werd ik bij het treinstation afgezet.
Omdat ik nog maar net in Urumqi was wist ik niet wat een taxirit mocht kosten, maar ik wist wel dat de chauffeur een veel te hoog bedrag van mij wilde. Ik, nog steeds last van een ochtendhumeur, weigerde het gevraagde bedrag te geven en zo ontstond het eerste akkefietje tussen mij en een Chinees die geld wilde zien. Helaas zouden tijdens mijn verdere verblijf in China nog veel van dit soort incidenten volgen, want zodra ze een buitenlander als klant hadden werden de prijzen pardoes verdubbeld. Veel Chinezen waren nors, hadden een arrogante houding en ze vertikten het om normaal met mij te communiceren. Ik deed een poging om het opstootje tussen mij en de taxichauffeur op te lossen door hem de helft van het gevraagde bedrag te geven. De chauffeur was er 'suprise, suprise' niet blij mee, hij liep rood aan en begon Kungfu-bewegingen te maken. Ik pakte snel mijn tas en ging het stationsgebouw in.

Toen ik even later bij het ticketloket vooraan in de rij stond bestelde ik een kaartje voor de trein die dezelfde ochtend nog zou vertrekken naar Lanzhou - een reis van 26 uur. Wanneer je in China met de trein reist dan heb je de keuze uit vier verschillende klassen, te weten (in volgorde van prijs) harde stoel, zachte stoel, hard bed en zacht bed. Omdat ik bij mijn reis de filosofie aanhoud om alles zo goedkoop mogelijk te doen vroeg ik zonder er verder bij na te denken om een harde stoel. De man achter het loket vroeg mij met opgetrokken wengbrauwen van verbazing of hij het goed verstaan had en ik zei nogmaals dat ik het goedkoopste kaartje wilde.
Naast het loket hing een beeldscherm waarop de bestellingen te zien waren. De Chinezen achter mij in de rij keken - nieuwsgierig als ze zijn - mee op het beeldscherm om te zien wat voor een ticket ik kocht. Toen er op het scherm kwam te staan dat ik gekozen had voor een harde stoel ontstond er beroering achter me in de rij. Op dat moment bevroedde ik al dat ik een grote fout maakte.
Toen ik even later in de trein mijn plek gevonden had werd mijn vrees bevestigd. De stoelen zagen er precies zo uit als de titel 'stoel: hard' deed vermoeden. Daar mocht ik heel fijn 26 uur op gaan zitten.

De trein zag er verder best redelijk uit - vergelijkbaar met een Nederlandse intercity - en het interieur was schoon, althans, tot een paar minuten later de wagon volstroomde met Chinezen uit de onderkant van de samenleving. Ik weet dat het een ontzettend cliche-verhaal is, maar Chinezen kunnen verschrikkelijk ranzig zijn en de Chinezen die bij mij in de trein zaten waren daar een goed voorbeeld van. Ik voelde me al niet gelukkig, maar toen ik besefte dat ik meer dan een etmaal tussen Chinese boeren moest doorbrengen kon ik wel janken van ellende. Ze zagen er uit alsof ze in de stal tussen het vee leefden en als ik dat zo rook dan zou het mij niet verbazen als ze inderdaad eerder die dag naast een geit ontwaakten.
Ik keek de Chinezen met afschuw aan, de Chinezen staarden op hun beurt naar mij met een mengeling van verbazing en fascinatie, terwijl de kinderen vooral met angst naar mij keken. Allemaal namen ze rustig de tijd om mij van top tot teen visueel te bestuderen.
Tijdens de reis was er slechts een man die het aandurfde mij aan te spreken - in het Mandarijn, want Engels sprak niemand. Ik maakte hem duidelijk dat ik geen Chinees versta, waarop de man de vraag herhaalde, nog eens herhaalde en nog eens, terwijl hij steeds luider sprak. Toen hij door kreeg dat ik het echt niet verstond moet hij gedacht hebben dat ik doof was want hij pakte een pen en schreef in Chinese karakters zijn vraag op een papiertje en gaf het aan mij.
Wat de man hoogstwaarschijnlijk wilde weten was waar ik vandaan kom, dus ik probeerde op alle mogelijke manieren 'Netherlands', 'Holland' en 'Amsterdam' uit te spreken maar mijn medepassagiers begrepen het niet. Vervolgens probeerde ik ze te vertellen uit welk continent ik kom maar ze bleven mij verontwaardigd aangapen. In een laatste poging probeerde ik om op zijn minst duidelijk te maken dat ik van dezelfde planeet kom - dat ik geen alien ben - maar toen ik op dat punt was aangekomen had ik me verbaal en nonverbaal al zodanig belachelijk gemaakt dat de Chinezen zich verschrikt van mij afkeerden. De gesprekken die mijn medereizigers tijdens de rest van de reis hadden, waarbij ze regelmatig met aversie naar mij wezen, gingen ongetwijfeld over het beperkt verstandelijk vermogen van westerlingen.
In een trein met honderden mensen om me heen voelde ik me eenzamer dan ooit tevoren. De baterijen van mij Ipod waren leeg en ik had verder niks om me mee te vermaken. Zelfs het uitzicht vanuit de trein was saai, met enkel eindeloze grijze vlaktes en hier en daar een kale berg.

Helaas beschikten de Chinezen over nog veel meer middelen om mij het leven zuur te maken. Zo mocht ik tijdens de treinreis kennis nemen met allerlei smerige Chinese gewoontes, zoals het rochelen, spugen, snuiten zonder zakdoek, roken en slurpen. De Chinezen schraapten om de zoveel tijd met veel lawaai de keel om vervolgens het opgerochelde slijm op de vloer te deponeren - en in een coupe vol Chinezen kwam dat neer op een continu speeksel-bombardement, waarbij ze regelmatig als doelwit mijn schoenen en tas uitkozen. Alsof het rijtuig dan nog niet ranzig genoeg was werd ook ieder snotje - op de manier zoals voetballers dat doen - in het wilde weg richting de vloer of muur gesnoten. Het werd helemaal bizar toen passagiers die nacht op diezelfde vloer gingen liggen om te slapen!
En om het lijstje met ergernissen compleet te maken, de meeste Chinezen waren ook nog eens fanatieke rokers van vieze, dikke shag. Het leek wel of ze collectief aan een stuk bleven paffen om daarmee het bordje 'verboden te roken' dat boven de deur hing door de rook niet zichtbaar te houden.

Toen ik na de martelende rit - en ik had weer amper geslapen - arriveerde in Lanzhou was ik doodop, maar ik besloot, hoe gek het ook klinkt, meteen de trein voor de volgende etappe naar Chengdu te nemen. Ik was nog niet eens op de helft van China en de volgende rit beloofde wederom een hel te worden dus wilde ik dat liever meteen achter de rug hebben.
Toen ik een kaartje voor de de trein naar Chengdu ging kopen kreeg ik te horen dat het al uitverkocht was. Alleen voor de duurste klasse, de zachte bedden, kon ik nog een kaartje krijgen. Voor mij was dit geweldig nieuws, want nu kon ik mezelf op een bed in de eerste klasse trakteren en toch gehoorzamen aan mijn streven om alles zo goedkoop mogelijk te doen - er was simpelweg niks goedkopers.
De bedden waren inderdaad zacht en ze waren voorzien van schone, witte lakens. Een vriendelijke conductrice bracht een thermoskan warm water zodat ik een instant-noodle-maaltijd kon klaarmaken. Daarna kroop ik in mijn bedje - het was voor het eerst in 52 uur dat ik horizontaal lag - en viel in een diepe slaap. De trein deed er 14 uur over om van Lanzhou naar Chengdou te tuffen en bijna de hele trip heb ik geslapen.
Toen ik de volgende morgen de gordijnen open deed zag ik eindelijk het landschap dat ik altijd met China geassocieerd heb. De trein reed door een groen en weelderig heuvellandschap met op plekken waar het niet te stijl was een rijstveldje, en beneden in het dal stroomde het chocoladebruine water van de Yangtze-rivier. Ik heb een hele tijd met een grote grijns op mijn gezicht uit het raam zitten kijken, tot dat er enorme fabrieken in het beeld verschenen, die hun chemische troep in de rivier loosden. Het werd ineens heel erg mistig - ik realiseerde me later pas dat het smog was - en niet veel later bereikte de trein de metropool Chengdu (met 11 miljoen inwoners).
De luchtvervuiling in Chinese steden was erger dan in mijn meest pessimistische verwachting. De dikke, grijze smog die boven de steden hing gaven mij continu een koolmonoxide-smaak in de mond en in de vier dagen dat ik in Chengdu was heb ik door de smog niet een keer de zon gezien!

En zo verliepen de eerste drie dagen tijdens mijn tweede bezoek aan China. Na vervolgens vier dagen in Chengdu te hebben doorgebracht ben ik via Panzihua naar Lijiang gegaan. Een paar dagen later ben ik van Lijiang naar Kunming gereisd om van daaruit een dag later naar de grens met Laos te gaan.
Om in China te komen nam ik vanuit Almaty in Kazachstan een bus naar de dichtstbijzijnde Chinese stad, Urumqi. De rit nam 22 uur in beslag en ik bleek weer eens een zeer interessante bus te hebben uitgekozen, want al mijn medepassagiers waren vrouwen die naar de dokter gingen! De kazachstaanse vrouwen ondernamen deze trip omdat, zo vertelden ze mij, de gezondheidszorg in China goedkoper en beter is dan in Kazachstan.
Als enige mannelijke passagier (toevallig ook een knappe, gezellige westerling) had ik tijdens de busreis aan belangstelling geen gebrek. Door een vrouw die een beetje Duits sprak werden de vragen die ze mij stelden en mijn antwoorden daarop vertaald. Hoe ik het ze ook uitlegde, het gezelschap van vrouwen kon maar niet geloven dat iemand het leuk vindt om in zijn eentje door Azie te reizen. Net zoals ze in Iran maar niet begrepen dat ik een atheist ben en zoals ze in Pakistan maar niet konden geloven dat ik geen millionair ben, zo konden de Kazachstaanse vrouwen niet begrijpen waarom iemand alleen door Azie gaat reizen. Ik vrees dat hun uiteindelijke conclusie was dat ik geestelijk niet helemaal in orde ben en dat ik maar beter met ze mee kon gaan naar de dokter.
In zekere zin deed ik dat ook, want voordat we China in mochten werden we door Chinezen met doktersjassen en mondkapjes onderworpen aan een medisch onderzoek!
China is een beetje paranoide als het gaat om ziektes, daarom werden we bij de grens eerst naar een klein ziekenhuisje gestuurd met de lange naam: Foreign Affairs Custom Frontier Inspection & Qarantine and Management Department of International Road Transportation. De Chinezen namen daar onze lichaamtemperatuur op en we moesten een verklaring ondertekenen waarin dingen stonden over allerlei enge virussen. Ik vond het wel ironisch dat de Kazachstaanse vrouwen eerst gezond verklaard moesten worden voordat ze naar de dokter mochten.
Ik had in de bus amper geslapen en toen we de volgende morgen om half vijf in Urumqi aankwamen was ik niet te genieten. Ik gooide mijn tas en mijzelf in de dichtstbijzijnde taxi en om duidelijk te maken waar ik naar toe wilde deed ik naar de taxichauffeur iets van 'tjoeke tjoeke tuut tuut'. Even later werd ik bij het treinstation afgezet.
Omdat ik nog maar net in Urumqi was wist ik niet wat een taxirit mocht kosten, maar ik wist wel dat de chauffeur een veel te hoog bedrag van mij wilde. Ik, nog steeds last van een ochtendhumeur, weigerde het gevraagde bedrag te geven en zo ontstond het eerste akkefietje tussen mij en een Chinees die geld wilde zien. Helaas zouden tijdens mijn verdere verblijf in China nog veel van dit soort incidenten volgen, want zodra ze een buitenlander als klant hadden werden de prijzen pardoes verdubbeld. Veel Chinezen waren nors, hadden een arrogante houding en ze vertikten het om normaal met mij te communiceren. Ik deed een poging om het opstootje tussen mij en de taxichauffeur op te lossen door hem de helft van het gevraagde bedrag te geven. De chauffeur was er 'suprise, suprise' niet blij mee, hij liep rood aan en begon Kungfu-bewegingen te maken. Ik pakte snel mijn tas en ging het stationsgebouw in.
Toen ik even later bij het ticketloket vooraan in de rij stond bestelde ik een kaartje voor de trein die dezelfde ochtend nog zou vertrekken naar Lanzhou - een reis van 26 uur. Wanneer je in China met de trein reist dan heb je de keuze uit vier verschillende klassen, te weten (in volgorde van prijs) harde stoel, zachte stoel, hard bed en zacht bed. Omdat ik bij mijn reis de filosofie aanhoud om alles zo goedkoop mogelijk te doen vroeg ik zonder er verder bij na te denken om een harde stoel. De man achter het loket vroeg mij met opgetrokken wengbrauwen van verbazing of hij het goed verstaan had en ik zei nogmaals dat ik het goedkoopste kaartje wilde.
Naast het loket hing een beeldscherm waarop de bestellingen te zien waren. De Chinezen achter mij in de rij keken - nieuwsgierig als ze zijn - mee op het beeldscherm om te zien wat voor een ticket ik kocht. Toen er op het scherm kwam te staan dat ik gekozen had voor een harde stoel ontstond er beroering achter me in de rij. Op dat moment bevroedde ik al dat ik een grote fout maakte.
Toen ik even later in de trein mijn plek gevonden had werd mijn vrees bevestigd. De stoelen zagen er precies zo uit als de titel 'stoel: hard' deed vermoeden. Daar mocht ik heel fijn 26 uur op gaan zitten.
De trein zag er verder best redelijk uit - vergelijkbaar met een Nederlandse intercity - en het interieur was schoon, althans, tot een paar minuten later de wagon volstroomde met Chinezen uit de onderkant van de samenleving. Ik weet dat het een ontzettend cliche-verhaal is, maar Chinezen kunnen verschrikkelijk ranzig zijn en de Chinezen die bij mij in de trein zaten waren daar een goed voorbeeld van. Ik voelde me al niet gelukkig, maar toen ik besefte dat ik meer dan een etmaal tussen Chinese boeren moest doorbrengen kon ik wel janken van ellende. Ze zagen er uit alsof ze in de stal tussen het vee leefden en als ik dat zo rook dan zou het mij niet verbazen als ze inderdaad eerder die dag naast een geit ontwaakten.
Ik keek de Chinezen met afschuw aan, de Chinezen staarden op hun beurt naar mij met een mengeling van verbazing en fascinatie, terwijl de kinderen vooral met angst naar mij keken. Allemaal namen ze rustig de tijd om mij van top tot teen visueel te bestuderen.
Tijdens de reis was er slechts een man die het aandurfde mij aan te spreken - in het Mandarijn, want Engels sprak niemand. Ik maakte hem duidelijk dat ik geen Chinees versta, waarop de man de vraag herhaalde, nog eens herhaalde en nog eens, terwijl hij steeds luider sprak. Toen hij door kreeg dat ik het echt niet verstond moet hij gedacht hebben dat ik doof was want hij pakte een pen en schreef in Chinese karakters zijn vraag op een papiertje en gaf het aan mij.
Wat de man hoogstwaarschijnlijk wilde weten was waar ik vandaan kom, dus ik probeerde op alle mogelijke manieren 'Netherlands', 'Holland' en 'Amsterdam' uit te spreken maar mijn medepassagiers begrepen het niet. Vervolgens probeerde ik ze te vertellen uit welk continent ik kom maar ze bleven mij verontwaardigd aangapen. In een laatste poging probeerde ik om op zijn minst duidelijk te maken dat ik van dezelfde planeet kom - dat ik geen alien ben - maar toen ik op dat punt was aangekomen had ik me verbaal en nonverbaal al zodanig belachelijk gemaakt dat de Chinezen zich verschrikt van mij afkeerden. De gesprekken die mijn medereizigers tijdens de rest van de reis hadden, waarbij ze regelmatig met aversie naar mij wezen, gingen ongetwijfeld over het beperkt verstandelijk vermogen van westerlingen.
In een trein met honderden mensen om me heen voelde ik me eenzamer dan ooit tevoren. De baterijen van mij Ipod waren leeg en ik had verder niks om me mee te vermaken. Zelfs het uitzicht vanuit de trein was saai, met enkel eindeloze grijze vlaktes en hier en daar een kale berg.
Helaas beschikten de Chinezen over nog veel meer middelen om mij het leven zuur te maken. Zo mocht ik tijdens de treinreis kennis nemen met allerlei smerige Chinese gewoontes, zoals het rochelen, spugen, snuiten zonder zakdoek, roken en slurpen. De Chinezen schraapten om de zoveel tijd met veel lawaai de keel om vervolgens het opgerochelde slijm op de vloer te deponeren - en in een coupe vol Chinezen kwam dat neer op een continu speeksel-bombardement, waarbij ze regelmatig als doelwit mijn schoenen en tas uitkozen. Alsof het rijtuig dan nog niet ranzig genoeg was werd ook ieder snotje - op de manier zoals voetballers dat doen - in het wilde weg richting de vloer of muur gesnoten. Het werd helemaal bizar toen passagiers die nacht op diezelfde vloer gingen liggen om te slapen!
En om het lijstje met ergernissen compleet te maken, de meeste Chinezen waren ook nog eens fanatieke rokers van vieze, dikke shag. Het leek wel of ze collectief aan een stuk bleven paffen om daarmee het bordje 'verboden te roken' dat boven de deur hing door de rook niet zichtbaar te houden.
Toen ik na de martelende rit - en ik had weer amper geslapen - arriveerde in Lanzhou was ik doodop, maar ik besloot, hoe gek het ook klinkt, meteen de trein voor de volgende etappe naar Chengdu te nemen. Ik was nog niet eens op de helft van China en de volgende rit beloofde wederom een hel te worden dus wilde ik dat liever meteen achter de rug hebben.
Toen ik een kaartje voor de de trein naar Chengdu ging kopen kreeg ik te horen dat het al uitverkocht was. Alleen voor de duurste klasse, de zachte bedden, kon ik nog een kaartje krijgen. Voor mij was dit geweldig nieuws, want nu kon ik mezelf op een bed in de eerste klasse trakteren en toch gehoorzamen aan mijn streven om alles zo goedkoop mogelijk te doen - er was simpelweg niks goedkopers.
De bedden waren inderdaad zacht en ze waren voorzien van schone, witte lakens. Een vriendelijke conductrice bracht een thermoskan warm water zodat ik een instant-noodle-maaltijd kon klaarmaken. Daarna kroop ik in mijn bedje - het was voor het eerst in 52 uur dat ik horizontaal lag - en viel in een diepe slaap. De trein deed er 14 uur over om van Lanzhou naar Chengdou te tuffen en bijna de hele trip heb ik geslapen.
Toen ik de volgende morgen de gordijnen open deed zag ik eindelijk het landschap dat ik altijd met China geassocieerd heb. De trein reed door een groen en weelderig heuvellandschap met op plekken waar het niet te stijl was een rijstveldje, en beneden in het dal stroomde het chocoladebruine water van de Yangtze-rivier. Ik heb een hele tijd met een grote grijns op mijn gezicht uit het raam zitten kijken, tot dat er enorme fabrieken in het beeld verschenen, die hun chemische troep in de rivier loosden. Het werd ineens heel erg mistig - ik realiseerde me later pas dat het smog was - en niet veel later bereikte de trein de metropool Chengdu (met 11 miljoen inwoners).
De luchtvervuiling in Chinese steden was erger dan in mijn meest pessimistische verwachting. De dikke, grijze smog die boven de steden hing gaven mij continu een koolmonoxide-smaak in de mond en in de vier dagen dat ik in Chengdu was heb ik door de smog niet een keer de zon gezien!
En zo verliepen de eerste drie dagen tijdens mijn tweede bezoek aan China. Na vervolgens vier dagen in Chengdu te hebben doorgebracht ben ik via Panzihua naar Lijiang gegaan. Een paar dagen later ben ik van Lijiang naar Kunming gereisd om van daaruit een dag later naar de grens met Laos te gaan.
30 november 2009
Kazachstan
Kazachstan, waar kennen we dat land ook alweer van? Ohja! De olie, de steppe en natuurlijk van Borat.
Nee, Borat - of uberhaupt mannen in fel groene stringkini - heb ik niet gezien. Het oneindige niets van de steppen heb ik tot vervelens toe (en dat verveeld snel!) aan me voorbij zien komen terwijl ik me in bussen door Kazachstan liet rijden.
Wat betreft de olie heb ik vooral de gevolgen van de opbrengsten ervaren. Ik ben in Almaty geweest en dat is een welvarende metropool die net zo goed in Europa had kunnen liggen. Almaty heeft een hip en modern stadscentrum met schone straten waarover X5's en SUV's paraderen. Het verkeer hield zich keurig aan de regels zodat ik ineens de weg kon oversteken zonder voor mijn leven te hoeven vrezen!
Er waren bijna alleen maar chique winkels en stijlvolle eettentjes en ze waren allemaal keurig geordend in van die oersaaie winkelcentra. Je begrijpt het al, Almaty was een stad waar ik me niet kon vermaken. Jongeren in Almaty liepen rond in trendy kleding en vergeleken daarmee zag ik er uit als een zwerver (wat ik min of meer ook was, maar in Almaty viel ik zo ver buiten de boot dat als ik op straat ging zitten ik niet eens een pet hoefde voor te houden). Ik kreeg weer het gevoel dat ik een dikke maand eerder in Dubai ook had, dat ik op een plek was die niet bij mijn reis past.

Dit werd nog eens extra bevestigd toen ik na een dag verveeld rondlopen mijn dagelijkse dosis vlees ging halen. Ik trof in de kebabzaak een verkoper met handschoenen, een haarnetje en alsof dat nog niet kolderiek genoeg was ook een mondkapje! Nee, ik moest maar snel terug gaan naar China. Daar ligt rauw en bereid vlees tenminste naast elkaar op dezelfde snijplank. Daar vegen de kebabverkopers tenminste eerst het snot van de neus voordat ze een broodje aangeven. Kijk, dat is pas avontuur!
Nee, Borat - of uberhaupt mannen in fel groene stringkini - heb ik niet gezien. Het oneindige niets van de steppen heb ik tot vervelens toe (en dat verveeld snel!) aan me voorbij zien komen terwijl ik me in bussen door Kazachstan liet rijden.
Wat betreft de olie heb ik vooral de gevolgen van de opbrengsten ervaren. Ik ben in Almaty geweest en dat is een welvarende metropool die net zo goed in Europa had kunnen liggen. Almaty heeft een hip en modern stadscentrum met schone straten waarover X5's en SUV's paraderen. Het verkeer hield zich keurig aan de regels zodat ik ineens de weg kon oversteken zonder voor mijn leven te hoeven vrezen!
Er waren bijna alleen maar chique winkels en stijlvolle eettentjes en ze waren allemaal keurig geordend in van die oersaaie winkelcentra. Je begrijpt het al, Almaty was een stad waar ik me niet kon vermaken. Jongeren in Almaty liepen rond in trendy kleding en vergeleken daarmee zag ik er uit als een zwerver (wat ik min of meer ook was, maar in Almaty viel ik zo ver buiten de boot dat als ik op straat ging zitten ik niet eens een pet hoefde voor te houden). Ik kreeg weer het gevoel dat ik een dikke maand eerder in Dubai ook had, dat ik op een plek was die niet bij mijn reis past.
Dit werd nog eens extra bevestigd toen ik na een dag verveeld rondlopen mijn dagelijkse dosis vlees ging halen. Ik trof in de kebabzaak een verkoper met handschoenen, een haarnetje en alsof dat nog niet kolderiek genoeg was ook een mondkapje! Nee, ik moest maar snel terug gaan naar China. Daar ligt rauw en bereid vlees tenminste naast elkaar op dezelfde snijplank. Daar vegen de kebabverkopers tenminste eerst het snot van de neus voordat ze een broodje aangeven. Kijk, dat is pas avontuur!
10 november 2009
Kirgizie
In het hart van de grootste landmassa ter wereld liggen een aantal landen waar we ontzettend weinig van af weten. Ik denk dat voor de meeste lezers van mijn blog dit gebied een blinde vlek op de kaart is, een gebied dat gelijk staat met de middle-of-nowhere en Verweggistan. Het is niet vreemd dat de landen in Centraal-Azie (zoals Tajikistan, Oezbekistan en Kirgizie) ons onbekend zijn want ze hebben zelden tot nooit in de spotlight gestaan. Eeuwenlang waren het de nomaden die dit gebied bewoonde, totdat de Sovjet het gebied opslokte en een einde maakte aan de zwervende levensstijl van de bevolking. Tijdens de periode waarin het gebied bij de USSR hoorde kreeg het te maken met cultuurvernietiging, brute industrialisatie en onmogelijke collectiviteitsprogramma's. Na de onafhankelijkheid in 1991 kregen de landen te kampen met de erfenissen uit de Sovjet-tijd. Een van de gevolgen die nu nogsteeds zichtbaar is en mij aangreep is dat veel ouderen noodgedwongen moeten bedelen, omdat hun pensioenen tijdens de onafhankelijkheid in rook zijn opgegaan. Ook zie je veel oude vrouwen die stilletjes op straat zitten en proberen een paar waardeloze bezittingen te verkopen. Of wat voor mij ook vreemd om te zien bleef waren de bejaarden die met slonzige kleren en droevige ogen een inkomen vergaarden door de straat te vegen en afval te rapen. Ik denk dat deze mensen met weemoed terugdenken aan het communisme. Maar al met al zijn de Centraal-Aziatische landen er aardig boven op aan het komen en ze hebben op allerlei gebieden veel potentie. Ik verwacht dan ook dat we er in de toekomst steeds vaker van gaan horen, al is het alleen maar omdat een aantal van de Stan-landen over gigantische gasvoorraden beschikken. Het zal ook niet lang duren voordat toeristen al het interessants in Centraal-Azie gaan ontdekken, want de etnische diversiteit is er enorm, het heeft een zeer rijke culturele geschiedenis en het landschap is er een van superlatieven. Het probleem is nu nog dat het verkrijgen van een visum voor een land in Centraal-Azie enorm complex is. Daarom kon ik helaas maar twee landen in deze regio bezoeken: Kirgizie en Kazachstan.

Ik arriveerde in de Kirgizische stad Osj na een twintig uur durende rit in een Chinese slaapbus - een bus met bedden in plaats van stoelen. De bus nam de Chinees/Kirgische grensovergang bovenop de Irkeshtam, een route die pas sinds enkele jaren open is voor internationaal verkeer. De kronkelende bergweg van en naar de grensovergang klom en daalde tussen pieken van duizellingwekkende hoogtes. De grens bevond zich ergens op grote hoogte waar het op dat moment wel vijftien graden vroor. De Kirgizische grenspost bleek een vervallen gebouwtje te zijn dat tevens dienst deed als woning. Via een klein schuifraampje in de zijgevel van het gebouwtje gaf ik mijn paspoort aan een douanebeambte die op de rand van een bed zat. Hij had een laptop op zijn schoot en ik zag hoe in een Excel-bestand mijn gegevens werden ingevoerd. Er werd een stempel in mijn paspoort gezet waarmee ik Kirgizie binnen mocht. Maar de douanier bleef vervolgens enige tijd staren naar mijn paspoort; hij bladerde er wat in alsof hij iets zocht. Ik werd hier vreselijk nerveus van want ik vreesde dat er iets niet in orde was met mijn paspoort. Maar na een paar minuten (voor mij leek het wel een uur) overhandigde de douanebeambte mijn paspoort en tegelijkertijd werd duidelijk waarom hij mijn papieren zo lang bleef bestuderen: hij had geen idee waar ik vandaan kwam. Hij vroeg me namelijk: "Are you from Sweden?"
In de slaapbus lag nog een andere toerist, een Japanner genaamd Aki. Wanneer je in een ongewoon land een andere reiziger tegenkomt dan trek je automatisch naar elkaar toe. Zo ook Aki en ik. We hadden voor de daaropvolgende dagen dezelfde reisplannen en als vanzelfsprekend zijn we samen verder gaan reizen. Er was alleen een probleem: Aki sprak geen Engels en ik spreek geen Japans. Alle communicatie tussen Aki en mij verliep dus door middel van gebarentaal. Het leek wel alsof we de hele dag door een gebarenspel aan het spelen waren.

Als er een record bestaat voor langste taxirit ooit dan hebben Aki en ik die misschien wel verbroken. Om van de ene kant van Kirgizie naar de andere kant te komen (van Osj naar Bisjkek) moesten twee joekels van bergen overgestoken worden. De winter was al begonnen en de weg over de bergtoppen was door sneeuw en ijs al haast onbegaanbaar geworden. De busmaatschappijen durfden het niet meer aan om nog bussen over deze route te laten rijden. Aki en ik overwogen onze mogelijkheden (in gebarentaal) om naar Bisjkek te gaan en we besloten een taxi te nemen. Het zou uiteindelijk een twaalf uur durende taxirit worden!

Er bleken tot ons genoegen een flink aantal taxichauffeurs bereid te zijn ons naar Bisjkek te brengen, mits we extra zouden betalen voor de risico's die aan de gevaarlijke route verbonden waren. Ik koos de meest sympathiek ogende taxichauffeur uit - een fors gebouwde Oezbeek genaamd Mikhail - en begon met hem te onderhandelen over een prijs. Uiteraard lagen de bedragen die hij vroeg en ik bood mijlenver uit elkaar, maar tot grote ergenis van Mikhail hield ik voet bij stuk met mijn eerste bod. Toen ik hem voor de zoveelste maal duidelijk maakte dat Aki en ik niet akkoord gingen met het bedrag dat Mikhail vroeg draaide hij zich om en terwijl hij weg liep maakte hij een gebaar alsof hij een hond wegjoeg. Toen hij even later terug kwam deed ik een nieuw bod door een iets hoger bedrag op een stoffige auto te schrijven. Hij moet het bedrag een tikkeltje te laag gevonden hebben, want hij begon te schreeuwen en te vloeken in het Russisch. Omdat ik het wel de moeite waard vond om die kerel uit zijn vel te zien springen begon ik terug te schreeuwen en te vloeken in het Nederlands. Blijkbaar raakte Mikhail hiervan onder de indruk, want uit het niets stopte hij met schreeuwen en zei: "Oké, is goed, stap maar in!"
Even later zaten we naast elkaar in de auto bij te komen van de hevige woordenwisseling. Toen we Osj uitreden was de woede nogsteeds zichtbaar op het gezicht van Mikhail en hij scheurde het voertuig met een onmogelijke snelheid via steeds smaller wordende wegen de bergen in. Aki keek mij met een bezorgde blik aan. Ook ik begon me af te vragen waar dit heen moest en of we het zelfs maar zouden overleven. Het beeld dat Mikhail ons ergens hoog in de bergen in stukken ging hakken en aan de varkens ging voeren schoot al door mijn hoofd.
Na een half uur rijden bleek de woede bij Mikhail de taxichauffeur gezakt te zijn. De taxirit zou minimaal twaalf uur duren en ik denk dat Mikhail ook in zag dat het een zeer zware rit zou worden als hij zijn woede niet liet varen. Hij stopte een bandje met Russische Jabadaba-dance-muziek in de cassettespeler en zette het volume op standje oorbeschadiging. Toen Mikhail zijn goede zin weer helemaal terug had begon hij te zingen en te dansen achter het stuur en even later kwamen de eerste wodka-en-tieten-grappen (de Russische variant op bier-en-tieten-humor). En zodoende kwamen Aki en ik de twaalf uur durende taxirit toch nog goed door, voornamelijk met het uitlachen van onze chauffeur.
Mikhail was lang geleden eens in Europa geweest, daarom wist hij het een en ander over bijvoorbeeld Nederland te vertellen. Zo vroeg hij of ik uit het Franstalige of Duitstalige gedeelte van Nederland kom. Ik was zo pervers om te zeggen dat hij zich vergiste en dat we in Nederland Italiaans en Deens spreken - zo heeft een volgende toerist in zijn taxi ook wat te lachen.

Schijnbaar had Mikhail het wel naar zijn zin gehad met mij en Aki in de auto, want toen we die avond in Bisjkek aankwamen gaf hij ons zelfs de juiste hoeveelheid wisselgeld!
Aki maakte mij met gebaren duidelijk dat ik hem moest volgen. We liepen door de stad terwijl Aki een routebeschrijving uit zijn Japanse reisgids volgde. Het bracht ons uiteindelijk bij Sakura Guesthouse, een Japans hostel voor Japanse backpackers dat bomvol zat met Japanners. Het was een aangename verrassing, een hostel vol Japanners, maar toch begreep ik het niet helemaal. Want wat deden al die Japanners in Kirgizie of-all-places? Later werd me verteld dat Japan 'goede vriendjes' is met de Centraal-Aziatische landen, dat daarom Japanners voor een habbekrats visums kunnen krijgen en dat daarom hier zoveel Japanners naar toe komen.
Ik ben vijf dagen in het hostel gebleven want het was er verschrikkelijk gezellig. De meeste Japanners konden net als Aki geen Engels, maar ze hadden een redelijk talent om dingen uit te beelden en de wodka deed de rest. Zodoende vertelden ze mij al hun avonturen en als je het aan mij vraagt dan zijn Japanners, als het om reizen gaat,
knettergek: ze gaan naar Soedan, Irak en Afghanistan en een van de avonturiers had in vijf jaar tijd 160 landen bezocht! De vrolijke mannetjes stonden er op om uit eerbetoon een op een met mij shotjes wodka te drinken. "Kampai - Na zdorovje - Proost!" riepen ze in koor wanneer ik met de volgende uit de kring een shotje dronk.
Ik had sinds Istanbul geen alcohol meer gedronken, dus de wodka steeg meteen naar mijn hoofd. Ik vraag me nogsteeds af of deze manier van drinken inderdaad een Japans gebruik was of dat ze me gewoon dronken wilde hebben. Dat laatste is ze in ieder geval op alle vijf de avonden gelukt!
Ik arriveerde in de Kirgizische stad Osj na een twintig uur durende rit in een Chinese slaapbus - een bus met bedden in plaats van stoelen. De bus nam de Chinees/Kirgische grensovergang bovenop de Irkeshtam, een route die pas sinds enkele jaren open is voor internationaal verkeer. De kronkelende bergweg van en naar de grensovergang klom en daalde tussen pieken van duizellingwekkende hoogtes. De grens bevond zich ergens op grote hoogte waar het op dat moment wel vijftien graden vroor. De Kirgizische grenspost bleek een vervallen gebouwtje te zijn dat tevens dienst deed als woning. Via een klein schuifraampje in de zijgevel van het gebouwtje gaf ik mijn paspoort aan een douanebeambte die op de rand van een bed zat. Hij had een laptop op zijn schoot en ik zag hoe in een Excel-bestand mijn gegevens werden ingevoerd. Er werd een stempel in mijn paspoort gezet waarmee ik Kirgizie binnen mocht. Maar de douanier bleef vervolgens enige tijd staren naar mijn paspoort; hij bladerde er wat in alsof hij iets zocht. Ik werd hier vreselijk nerveus van want ik vreesde dat er iets niet in orde was met mijn paspoort. Maar na een paar minuten (voor mij leek het wel een uur) overhandigde de douanebeambte mijn paspoort en tegelijkertijd werd duidelijk waarom hij mijn papieren zo lang bleef bestuderen: hij had geen idee waar ik vandaan kwam. Hij vroeg me namelijk: "Are you from Sweden?"
In de slaapbus lag nog een andere toerist, een Japanner genaamd Aki. Wanneer je in een ongewoon land een andere reiziger tegenkomt dan trek je automatisch naar elkaar toe. Zo ook Aki en ik. We hadden voor de daaropvolgende dagen dezelfde reisplannen en als vanzelfsprekend zijn we samen verder gaan reizen. Er was alleen een probleem: Aki sprak geen Engels en ik spreek geen Japans. Alle communicatie tussen Aki en mij verliep dus door middel van gebarentaal. Het leek wel alsof we de hele dag door een gebarenspel aan het spelen waren.
Als er een record bestaat voor langste taxirit ooit dan hebben Aki en ik die misschien wel verbroken. Om van de ene kant van Kirgizie naar de andere kant te komen (van Osj naar Bisjkek) moesten twee joekels van bergen overgestoken worden. De winter was al begonnen en de weg over de bergtoppen was door sneeuw en ijs al haast onbegaanbaar geworden. De busmaatschappijen durfden het niet meer aan om nog bussen over deze route te laten rijden. Aki en ik overwogen onze mogelijkheden (in gebarentaal) om naar Bisjkek te gaan en we besloten een taxi te nemen. Het zou uiteindelijk een twaalf uur durende taxirit worden!
Er bleken tot ons genoegen een flink aantal taxichauffeurs bereid te zijn ons naar Bisjkek te brengen, mits we extra zouden betalen voor de risico's die aan de gevaarlijke route verbonden waren. Ik koos de meest sympathiek ogende taxichauffeur uit - een fors gebouwde Oezbeek genaamd Mikhail - en begon met hem te onderhandelen over een prijs. Uiteraard lagen de bedragen die hij vroeg en ik bood mijlenver uit elkaar, maar tot grote ergenis van Mikhail hield ik voet bij stuk met mijn eerste bod. Toen ik hem voor de zoveelste maal duidelijk maakte dat Aki en ik niet akkoord gingen met het bedrag dat Mikhail vroeg draaide hij zich om en terwijl hij weg liep maakte hij een gebaar alsof hij een hond wegjoeg. Toen hij even later terug kwam deed ik een nieuw bod door een iets hoger bedrag op een stoffige auto te schrijven. Hij moet het bedrag een tikkeltje te laag gevonden hebben, want hij begon te schreeuwen en te vloeken in het Russisch. Omdat ik het wel de moeite waard vond om die kerel uit zijn vel te zien springen begon ik terug te schreeuwen en te vloeken in het Nederlands. Blijkbaar raakte Mikhail hiervan onder de indruk, want uit het niets stopte hij met schreeuwen en zei: "Oké, is goed, stap maar in!"
Even later zaten we naast elkaar in de auto bij te komen van de hevige woordenwisseling. Toen we Osj uitreden was de woede nogsteeds zichtbaar op het gezicht van Mikhail en hij scheurde het voertuig met een onmogelijke snelheid via steeds smaller wordende wegen de bergen in. Aki keek mij met een bezorgde blik aan. Ook ik begon me af te vragen waar dit heen moest en of we het zelfs maar zouden overleven. Het beeld dat Mikhail ons ergens hoog in de bergen in stukken ging hakken en aan de varkens ging voeren schoot al door mijn hoofd.
Na een half uur rijden bleek de woede bij Mikhail de taxichauffeur gezakt te zijn. De taxirit zou minimaal twaalf uur duren en ik denk dat Mikhail ook in zag dat het een zeer zware rit zou worden als hij zijn woede niet liet varen. Hij stopte een bandje met Russische Jabadaba-dance-muziek in de cassettespeler en zette het volume op standje oorbeschadiging. Toen Mikhail zijn goede zin weer helemaal terug had begon hij te zingen en te dansen achter het stuur en even later kwamen de eerste wodka-en-tieten-grappen (de Russische variant op bier-en-tieten-humor). En zodoende kwamen Aki en ik de twaalf uur durende taxirit toch nog goed door, voornamelijk met het uitlachen van onze chauffeur.
Mikhail was lang geleden eens in Europa geweest, daarom wist hij het een en ander over bijvoorbeeld Nederland te vertellen. Zo vroeg hij of ik uit het Franstalige of Duitstalige gedeelte van Nederland kom. Ik was zo pervers om te zeggen dat hij zich vergiste en dat we in Nederland Italiaans en Deens spreken - zo heeft een volgende toerist in zijn taxi ook wat te lachen.
Schijnbaar had Mikhail het wel naar zijn zin gehad met mij en Aki in de auto, want toen we die avond in Bisjkek aankwamen gaf hij ons zelfs de juiste hoeveelheid wisselgeld!
Aki maakte mij met gebaren duidelijk dat ik hem moest volgen. We liepen door de stad terwijl Aki een routebeschrijving uit zijn Japanse reisgids volgde. Het bracht ons uiteindelijk bij Sakura Guesthouse, een Japans hostel voor Japanse backpackers dat bomvol zat met Japanners. Het was een aangename verrassing, een hostel vol Japanners, maar toch begreep ik het niet helemaal. Want wat deden al die Japanners in Kirgizie of-all-places? Later werd me verteld dat Japan 'goede vriendjes' is met de Centraal-Aziatische landen, dat daarom Japanners voor een habbekrats visums kunnen krijgen en dat daarom hier zoveel Japanners naar toe komen.
Ik ben vijf dagen in het hostel gebleven want het was er verschrikkelijk gezellig. De meeste Japanners konden net als Aki geen Engels, maar ze hadden een redelijk talent om dingen uit te beelden en de wodka deed de rest. Zodoende vertelden ze mij al hun avonturen en als je het aan mij vraagt dan zijn Japanners, als het om reizen gaat,
knettergek: ze gaan naar Soedan, Irak en Afghanistan en een van de avonturiers had in vijf jaar tijd 160 landen bezocht! De vrolijke mannetjes stonden er op om uit eerbetoon een op een met mij shotjes wodka te drinken. "Kampai - Na zdorovje - Proost!" riepen ze in koor wanneer ik met de volgende uit de kring een shotje dronk.
Ik had sinds Istanbul geen alcohol meer gedronken, dus de wodka steeg meteen naar mijn hoofd. Ik vraag me nogsteeds af of deze manier van drinken inderdaad een Japans gebruik was of dat ze me gewoon dronken wilde hebben. Dat laatste is ze in ieder geval op alle vijf de avonden gelukt!
9 november 2009
China [deel 1]
Kashgar ligt in de provincie Sinkiang in het uiterste westen van China, op een ontzaglijke 4000 kilometer van Peking. Met een Australiër en een Canadese heb ik iets meer dan een week in deze stad en zijn nabije omgeving rondgetoerd. Kashgar heeft alles wat we van een Chinese stad zouden verwachten, van het imposante Mao-standbeeld op een immens, vierkant plein tot de rode lampionnen boven de straten aan toe. De hele stad straalt en ademt zoals we dat van een Chinese metropool kennen. Er is echter een aspect waarin Kashgar duidelijk verschilt van andere Chinese steden: in Kashgar wonen geen Chinezen(en daarmee bedoel ik de Han-Chinezen)! De grootste bevolkingsgroep in Kashgar en in de rest van Sinkiang wordt gevormd door de Oeigoeren, een moslim-volk dat sterk verwant is aan de Turken (het Oeigoers komt zelfs voor 60% overeen met het Turks).

De situatie van de Oeigoeren in China is een triest verhaal - van onderdrukking en intimidatie - dat min of meer vergelijkbaar is met dat van de Tibetanen. Afgelopen zomer nog werden tijdens rellen 200 Oeigoeren gedood en nog eens 700 Oeigoeren gearresteerd. De onrust in het westen van China was voor mij merkbaar doordat in de stad een buitensporig aantal Chinese soldaten aanwezig waren en doordat ik niet naar huis kon mailen of bellen omdat al het internet- en internationale belverkeer afgesloten was.

Ik kan me nog herinneren dat Paul Rosenmoller vlak voor de Olympische Spelen een indrukwekkende reportage maakte over de benarde situatie waarin de Oeigoeren zich bevinden. Wat Paul Rosenmoller destijds meemaakte overkwam mij ook, zij het in lichtere mate: ik werd gevolgd door een of andere Chinese veiligheidsdienst!
Op een middag in Kashgar liep ik door het 'Peoples Park' - een typisch Chinees stadspark - waar ik wat ronddwaalde om de Oeigoer-mensen te bewonderen. Ik nam foto's van kaartende mannen en met een enkeling maakte ik een kort praatje. Een oude man met een lange, grijze sik zei tegen me bij wijze van grap dat ik nog te pril was om een baard te hebben - een baard moet je verdienen door eerst een respectabele leeftijd te bereiken. Plotseling kwamen twee Han-Chinese vrouwen in burgerkleding druk telefoneerend verdacht dichtbij me in de buurt staan. Ik voelde me lichtelijk geïntimideerd dus ik vervolgde ingetogen mijn weg door het park. Maar een van de twee vrouwen bleef continu zo'n twintig meter achter mij aan lopen. Toen ik op de vrouw af liep en haar wat vroeg keerde ze mij de rug toe. De situatie werd zo bizar gemaakt doordat het overduidelijk was dat ze me volgde. Als ik bijvoorbeeld ergens stil stond om fanatieke jongeren te zien tafeltennissen bleef de mysterieuze vrouw, druk in de weer met haar mobiel, vlak bij me staan. Pas toen ik het park weer uitliep verdween de vrouw, even plotseling als ze was verschenen.
Maar waren het inderdaad staatsagenten die dachten dat ik een burgeropstand tegen de Chinese onderdrukking aan het beramen was? Of was het mijn fantasie die op hol sloeg, doordat ik teveel naar Jason Bourne-films heb gekeken? Want misschien waren de vrouwen op iets totaal onschuldigs uit, zoals mij versieren, maar belden ze eerst al hun vrienden om te vragen naar een goede openingszin.
De situatie van de Oeigoeren in China is een triest verhaal - van onderdrukking en intimidatie - dat min of meer vergelijkbaar is met dat van de Tibetanen. Afgelopen zomer nog werden tijdens rellen 200 Oeigoeren gedood en nog eens 700 Oeigoeren gearresteerd. De onrust in het westen van China was voor mij merkbaar doordat in de stad een buitensporig aantal Chinese soldaten aanwezig waren en doordat ik niet naar huis kon mailen of bellen omdat al het internet- en internationale belverkeer afgesloten was.
Ik kan me nog herinneren dat Paul Rosenmoller vlak voor de Olympische Spelen een indrukwekkende reportage maakte over de benarde situatie waarin de Oeigoeren zich bevinden. Wat Paul Rosenmoller destijds meemaakte overkwam mij ook, zij het in lichtere mate: ik werd gevolgd door een of andere Chinese veiligheidsdienst!
Op een middag in Kashgar liep ik door het 'Peoples Park' - een typisch Chinees stadspark - waar ik wat ronddwaalde om de Oeigoer-mensen te bewonderen. Ik nam foto's van kaartende mannen en met een enkeling maakte ik een kort praatje. Een oude man met een lange, grijze sik zei tegen me bij wijze van grap dat ik nog te pril was om een baard te hebben - een baard moet je verdienen door eerst een respectabele leeftijd te bereiken. Plotseling kwamen twee Han-Chinese vrouwen in burgerkleding druk telefoneerend verdacht dichtbij me in de buurt staan. Ik voelde me lichtelijk geïntimideerd dus ik vervolgde ingetogen mijn weg door het park. Maar een van de twee vrouwen bleef continu zo'n twintig meter achter mij aan lopen. Toen ik op de vrouw af liep en haar wat vroeg keerde ze mij de rug toe. De situatie werd zo bizar gemaakt doordat het overduidelijk was dat ze me volgde. Als ik bijvoorbeeld ergens stil stond om fanatieke jongeren te zien tafeltennissen bleef de mysterieuze vrouw, druk in de weer met haar mobiel, vlak bij me staan. Pas toen ik het park weer uitliep verdween de vrouw, even plotseling als ze was verschenen.
Maar waren het inderdaad staatsagenten die dachten dat ik een burgeropstand tegen de Chinese onderdrukking aan het beramen was? Of was het mijn fantasie die op hol sloeg, doordat ik teveel naar Jason Bourne-films heb gekeken? Want misschien waren de vrouwen op iets totaal onschuldigs uit, zoals mij versieren, maar belden ze eerst al hun vrienden om te vragen naar een goede openingszin.
29 oktober 2009
Pakistan
Het doel van mijn bezoek aan Pakistan was drieledig: (1) voorkomen dat ik opgeblazen word door een zelfmoordterrorist, (2) visum regelen voor een volgend land en (3) een lange trektocht maken in de Westerlijke Himalaya.
Om met de eerste doelstelling te beginnen: het moment dat ik koos voor mijn reis door Pakistan had niet slechter kunnen zijn. Het was er sinds lange tijd niet meer zo onrustig geweest dan in de twee weken dat ik er was. Het land was in de ban van verkiezingen en elke dag werd door de Taliban wel ergens een grote aanslag gepleegd. Het vuurgevecht tijdens een van de aanslagen, in Rawalpindi, waarbij negentien mensen om het leven kwamen was vanuit het hotel waar ik verbleef te horen. Overal waar ik kwam waren de spanningen omtrent de verkiezingen en de aanslagen voelbaar, al was het alleen maar omdat ik me moest overgeven aan de eindeloze veiligheidsmaatregelen.
Maar ondanks de onrusten heb ik me geen moment onveilig gevoeld en ik ben er van overtuigd dat ik geen roekeloze risico's heb genomen. Wel was mijn spannende avontuur in Pakistan - een land in oorlog - het meest gewaagde wat ik ooit gedaan heb.

Direct na mijn aankomst in Pakistan drong het tot me door dat het zwaarste deel van mijn reis ging beginnen. Tot dat moment was mijn reis meer een plezierreisje geweest; Pakistan was ander koek. Tijdens de reis van het luxueuze Dubai naar de chaos die Karachi heet - een havenstad met 16 miljoen inwoners - kreeg ik het gevoel dat ik de beschaving achter me liet. De gebouwen in Karachi zagen eruit alsof de bouwvakkers het halverwege het bouwproces wel welletjes vonden. Wegen vol diepe kuilen liepen alle richtingen uit en lagen vol met afval. Overal waar ik keek was het ronduit smerig. De lucht was er zo vervuild dat bij iedere ademhaling ik twee keer moest kuchen.
Het duurde even voordat ik gewend raakte aan het straatbeeld, mede omdat veel Pakistani een shalwar qamiz dragen, een wijd katoenen broekpak waarvan ik tot dat moment alleen wist dat Osama en zijn strijders het droegen. Op elke straathoek in Pakistan stonden mannen, met baard en in shalwar qamiz, die er uitzagen alsof ze zojuist waren teruggekeerd van een gevecht in de bergen met de moedjahedien in Afghanistan.
Ik verbleef in Karachi in een betonnen hotel, waar de stroomvoorziening slechts de helft van de tijd werkte, waar warm water een utopie was en waar regelmatig de lucht van een overstroomde hurk-wc de kamers binnen trad.
Maar de lappendeken van bazaars in het centrum van Karachi maakte voor mij veel goed. Het gaf me een zinderende energie, een energie die alleen ontstaat op plekken waar teveel mensen met te weinig leefruimte proberen het hoofd boven water te houden.

Ik bleef drie dagen in Karachi en vermaakte me voornamelijk met ritjes in autoriksja's en kipkebab eten van kraampjes langs de weg, met alle risico's vandien. Vanuit Karachi nam ik vervolgens de trein die me in 22 uur naar Rawalpindi zou brengen. Tijdens een lange reis kan veel afhangen van wie er naast je zitten in de bus of trein. Een saaie of irritante compagnon kan een aangename reis in één klap doen omslaan. Elke keer was het weer spannend bij wie ik ditmaal kwam te zitten. Aan het begin van mijn reis naar 'Pindi werd ik in een coupé geplaatst waarin vijf mannen zaten die eruitzagen alsof ze zojuist een bom in een 747 hadden geplaatst. De bebaarde mannen leefden in het grensgebied met Afghanistan en waren van dezelfde clan als waar de Taliban ook toebehoord. Ik vreesde een zware reis tegemoet te gaan, maar zodra ik duidelijk had gemaakt dat ik niet uit Amerika kwam bleek het tegendeel waar te zijn. Tijdens de reis werd ik beschouwd als hun eregast. Ik werd overladen met eten en ze spraken me aan met 'Mister Frenk'. Ik kon het onzettend goed vinden met mijn nieuwe vrienden en even overwoog ik om op hun voorstel in te gaan en met ze mee naar Peshawar te gaan. Maar ook al zou ik met dit gezelschap in goede handen zijn geweest, een reis naar oorlogsgebied was zelfs voor mij een brug te ver.

Ik kwam naar Rawalpindi om vandaaruit in Islamabad - het brave alter ego van 'Pindi en de hoofdstad van Pakistan - visa te regelen voor het vervolg van mijn reis. Aanvankelijk was mijn plan om na Pakistan naar India te gaan, maar omdat het verkrijgen van een visum voor India in Islamabad minstens tien dagen in beslag zou nemen verzette ik mijn zinnen van India naar China.
De ambassades in Islamabad zijn veilig gepositioneerd binnen een 'politieke enclave'. Het bezoeken van een ambassade is daardoor een pittige opgave omdat oneindig veel veiligheidscontroles doorlopen moeten worden. Eenmaal bij de Chinese ambassade aangekomen trof ik daar een rij van wel tweehonderd Pakistanen die allemaal naar China wilden. Als ik netjes achter in de rij had aangesloten dan had ik daar gegarandeerd een week later nog gestaan. Ik besloot daarom - zo brutaal als mogelijk - langs de rij af naar voren te lopen en ondertussen, terwijl ik mijn paspoort in de lucht hield, te roepen "Foreigner, foreigner, foreigner!". Wonder boven wonder slaagde mijn plan en een paar minuten later stond ik aan de balie tegenover een ontzettend chagrijnige diplomaat. Het was voor mij al snel duidelijk dat deze man het mij erg moeilijk wilde maken, dus besloot ik hoog in te zetten door te vragen om een multiple entry visa dat een jaar geldig is - iets wat praktisch nooit vergeven wordt. Maar dankzij deze tactische bluf gaf de chagrijn me een double entry visa van twee keer dertig dagen - iets wat redelijk uitzonderlijk is voor deze ambassade.
Ik heb de chagrijn nog moeten smeken om het visum binnen twee dagen klaar te maken en na een paar geërgerde blikken en zuchten ging hij akkoord. Tevreden liep ik van de Chinese ambassade vandaan en toevallig kwam ik langs de ambassade van Kirgizië - een land waar ik vanwege de ligging en het landschap altijd al een bijzondere belangstelling heb gehad. Een paar tellen bleef ik voor het ambassadegebouw stilstaan, denkend aan hoe bijzonder het zou zijn om Kirgizië aan mijn reis toe te voegen. Een paar tellen later was ik al bezig met het invullen van de aanvraagformulieren voor een toeristenvisum.
Al met al heb ik er een kleine week voor in de zustersteden Rawalpindi en Islamabad moeten blijven en er waren 26 taxi- en busritjes voor nodig, maar ik kon me zeer gelukkig prijzen met twee verse stickers - visa voor China en Kirgizië - in mijn paspoort!

Na mijn geslaagde bureaucratische inspanningen om visums te verkrijgen werd het tijd voor fysieke, avontuurlijke inspanningen. Dus op naar de bergen van Pakistan! Om daar te komen moest ik eerst een 24 uur durende busreis van Rawalpindi naar Gilgit in het noorden van Pakistan overleven. Het werden de meest verschrikkelijke 24 uur uit mijn leven. De weg was ontzettend hobbelig en zat vol gaten. De bus was felgekleurd en versierd met allerlei tierelantijntjes, maar schijnbaar alleen om passagiers af te leiden van de ernstige tekortkomingen. De buschauffeur was van het type dat als kamikaze-piloot veel succes zou hebben - ik denk dat hij de rem slechts één keer gebruikt heeft: bij aankomst. Door de combinatie van weg, bus en bestuurder leek het alsof ik in zo'n angstaanjagende kermisattractie was beland. Of alsof ze mij vastgebonden hadden aan een op hol geslagen paard. Of alsof ik in een massagestoel zat dat een eigen leven was gaan leiden. Slapen in de bus was onmogelijk en van de 24 uur dat de busreis duurde heb ik iedere seconde bewust meegemaakt. Tegen de tijd dat de bus Gilgit binnengaloppeerde zat ik onder de blauwe plekken, ik had overal spierpijn en zelfs mijn botten waren door elkaar geschud en deden pijn. Ik besloot om een paar dagen rust te nemen.
Ondanks de ellende bracht de busrit twee komische gebeurtenissen die ik niet snel zal vergeten. De eerste was tijdens een korte busstop, waarvan ik en alle andere passagiers (allemaal Pakistaanse mannen) gebruik maakte om de blaas te legen. Ik deed mijn plasje op de manier die ons gewoon is: staand. De Pakistani deden hun plasje op de hun gebruikelijke methode: gehurkt! Het tafereel dat dit opleverde moet een meesterlijk Kodak-moment zijn geweest.
Het tweede gebeuren waar ik veel plezier in had was bij de politie-checkpoint voor buitenlanders. Daar werd ik - als enige buitenlander in de bus - door de buschauffeur naar een douanehokje begeleidt waar een grenswacht mijn naam en paspoortnummer in een aftands boekje moest schrijven. De grenswacht was - nadat de chauffeur hem uit bed had geroepen - verrast om een buitenlander te zien. Het was alweer een tijdje geleden dat er een buitenlander gepasseerd was, aldus de lange, slome grenswacht. De chauffeur en ik zaten vervolgens een kwartier zwijgend op het bed van onze thee te nippen en cricket op tv te kijken voordat de grenswacht begon met het noteren van mijn gegevens. Toen hij klaar was dook hij weer in bed en liep ik terug naar de bus, me schuldig voelend tegenover de buspassagiers dat ze zo lang op mij moesten wachten. Maar de reacties van de passagiers waren alles behalve wat ik verwachtte: ze boden hun excuses aan voor het feit dat de overheid de reizigers het zo lastig maken!

In het gebied rond Gilgit in het noorden van Pakistan komen drie gebergtes bij elkaar. Dat zijn de Pamirs, de Karakoram en de Hindu Kush. Deze reusachtige bergketens vormen natuurlijke barrières voor de mens. Dat maakt dat in de geschiedenis al vele malen is geprobeerd het gezag te krijgen over de strategisch vitale regio rond Gilgit (onder andere door de Grieken onder Alexander, de Persen, de Turken, de Engelsen en de Russen, om er maar een paar te noemen). Het gebied valt officieel onder de Pakistaanse autoriteit, maar in de praktijk is het een wetteloos gebied waar Al Quada trainingskampen gevestigd zijn en waar regelmatig een Taliban-kopstuk wordt gesignaleerd. Sla een willekeurige atlas open en je zult zien dat landgrenzen in deze regio door de kartograaf - die er blijkbaar geen raad mee weet - met stippellijnen zijn aangegeven.
De regio Gilgit is altijd al een belangrijke doorgang geweest waar kennis, cultuur en religie overgebracht werden, door legers, missionarissen en - bovenal - handelaren die de smalle wegen en passages gebruikten tussen de drie bergketens. De wegen en passages staan tegenwoordig bekend als de Zijde Route.
Vanuit Gilgit loopt een zo'n route in noordelijke richting naar de Chinese grens. Dat is de Karakoram-weg, ook wel het achtste wereldwonder genoemd. Ik heb deze Karakoram-weg genomen en zodoende in negen dagen tijd de afstand naar Kasghar in China afgelegd. Alsof dat nog niet spectaculair genoeg was heb ik een groot gedeelte - samen met een Italiaan genaamd Fabio - liftend afgelegd. We liften mee met alles wat op de weg voorbij kwam. Jeeps, mini-busjes, maar vooral veel tractors. Het was een prachtig avontuur waar het tv-programma Peking Express niet aan kan tippen. Het mooiste lift-moment was toen Fabio en ik drie uur lang tussen de bagage op het dak van een bus lagen, met vandaaruit een onbelemmerd uitzicht op een magnifiek landschap.
Des te noordelijker we op de Karakoram-weg reden des te meer slingerde en klom de weg tegen al maar hoger wordende bergen. Hoe hoger de bergen werden hoe intenser de groene velden in de vallei schenen. Het was herfst en het groen maakte in de loop van de week dat ik er was plaats voor geel en oranje, dat als een schilderij aftekende tegen de besneeuwde bergen en de heldere hemel. Je kon er genieten - als je geen last had van hoogtevrees - van de grijze en bruine overhangende rotsen tot en met een paar honderd meter boven je en van de Indus-rivier die een paar honderd meter langs de afgerond beneden je stroomde.

Ik heb in Pakistan - van zuid naar noord - bijna 2500 kilometer afgelegd en zodoende heb ik de diversiteit van de Pakistaanse bevolking kunnen ervaren. Terwijl ik door het land reisde zag ik de fysieke kenmerken van de bevolking veranderen en hoorde ik steeds een andere taal om me heen gesproken worden. Het is daarom ook onmogelijk de Pakistaan in een paar zinnen te omschrijven.
Wat van zuid tot noord wel hetzelfde bleef was de geslachtsverhouding op straat: buiten de deur kwamen alleen maar mannen en zelden zag ik een vrouw. De vrouwen die ik gezien heb waren bescheiden in gedrag maar droegen prachtige gewaden in de kleuren van Fruitella-papiertjes. Ik heb er in twee weken Pakistan helaas niet een kunnen spreken.
Het laatste wat ik nog over Pakistan kwijt wil is dat het traditionele eten er verrukkelijk was. Ik heb er onwijs genoten van de heerlijke kip-met-rijstgerechten en van de malse blokjes rundvlees die met behulp van een stukje pita-brood naar de mond werden gebracht. Het had de vleesbereiding zoals ze dat in het Midden-Oosten doen, vermengd met de kruiden zoals we dat uit India kennen. Toegegeven, de keuze in gerechten was gering - maar omdat ik van het Pakistaanse eten maar geen genoeg kon krijgen ging ik soms wel drie keer per dag uiteten!
Om met de eerste doelstelling te beginnen: het moment dat ik koos voor mijn reis door Pakistan had niet slechter kunnen zijn. Het was er sinds lange tijd niet meer zo onrustig geweest dan in de twee weken dat ik er was. Het land was in de ban van verkiezingen en elke dag werd door de Taliban wel ergens een grote aanslag gepleegd. Het vuurgevecht tijdens een van de aanslagen, in Rawalpindi, waarbij negentien mensen om het leven kwamen was vanuit het hotel waar ik verbleef te horen. Overal waar ik kwam waren de spanningen omtrent de verkiezingen en de aanslagen voelbaar, al was het alleen maar omdat ik me moest overgeven aan de eindeloze veiligheidsmaatregelen.
Maar ondanks de onrusten heb ik me geen moment onveilig gevoeld en ik ben er van overtuigd dat ik geen roekeloze risico's heb genomen. Wel was mijn spannende avontuur in Pakistan - een land in oorlog - het meest gewaagde wat ik ooit gedaan heb.
Direct na mijn aankomst in Pakistan drong het tot me door dat het zwaarste deel van mijn reis ging beginnen. Tot dat moment was mijn reis meer een plezierreisje geweest; Pakistan was ander koek. Tijdens de reis van het luxueuze Dubai naar de chaos die Karachi heet - een havenstad met 16 miljoen inwoners - kreeg ik het gevoel dat ik de beschaving achter me liet. De gebouwen in Karachi zagen eruit alsof de bouwvakkers het halverwege het bouwproces wel welletjes vonden. Wegen vol diepe kuilen liepen alle richtingen uit en lagen vol met afval. Overal waar ik keek was het ronduit smerig. De lucht was er zo vervuild dat bij iedere ademhaling ik twee keer moest kuchen.
Het duurde even voordat ik gewend raakte aan het straatbeeld, mede omdat veel Pakistani een shalwar qamiz dragen, een wijd katoenen broekpak waarvan ik tot dat moment alleen wist dat Osama en zijn strijders het droegen. Op elke straathoek in Pakistan stonden mannen, met baard en in shalwar qamiz, die er uitzagen alsof ze zojuist waren teruggekeerd van een gevecht in de bergen met de moedjahedien in Afghanistan.
Ik verbleef in Karachi in een betonnen hotel, waar de stroomvoorziening slechts de helft van de tijd werkte, waar warm water een utopie was en waar regelmatig de lucht van een overstroomde hurk-wc de kamers binnen trad.
Maar de lappendeken van bazaars in het centrum van Karachi maakte voor mij veel goed. Het gaf me een zinderende energie, een energie die alleen ontstaat op plekken waar teveel mensen met te weinig leefruimte proberen het hoofd boven water te houden.
Ik bleef drie dagen in Karachi en vermaakte me voornamelijk met ritjes in autoriksja's en kipkebab eten van kraampjes langs de weg, met alle risico's vandien. Vanuit Karachi nam ik vervolgens de trein die me in 22 uur naar Rawalpindi zou brengen. Tijdens een lange reis kan veel afhangen van wie er naast je zitten in de bus of trein. Een saaie of irritante compagnon kan een aangename reis in één klap doen omslaan. Elke keer was het weer spannend bij wie ik ditmaal kwam te zitten. Aan het begin van mijn reis naar 'Pindi werd ik in een coupé geplaatst waarin vijf mannen zaten die eruitzagen alsof ze zojuist een bom in een 747 hadden geplaatst. De bebaarde mannen leefden in het grensgebied met Afghanistan en waren van dezelfde clan als waar de Taliban ook toebehoord. Ik vreesde een zware reis tegemoet te gaan, maar zodra ik duidelijk had gemaakt dat ik niet uit Amerika kwam bleek het tegendeel waar te zijn. Tijdens de reis werd ik beschouwd als hun eregast. Ik werd overladen met eten en ze spraken me aan met 'Mister Frenk'. Ik kon het onzettend goed vinden met mijn nieuwe vrienden en even overwoog ik om op hun voorstel in te gaan en met ze mee naar Peshawar te gaan. Maar ook al zou ik met dit gezelschap in goede handen zijn geweest, een reis naar oorlogsgebied was zelfs voor mij een brug te ver.
Ik kwam naar Rawalpindi om vandaaruit in Islamabad - het brave alter ego van 'Pindi en de hoofdstad van Pakistan - visa te regelen voor het vervolg van mijn reis. Aanvankelijk was mijn plan om na Pakistan naar India te gaan, maar omdat het verkrijgen van een visum voor India in Islamabad minstens tien dagen in beslag zou nemen verzette ik mijn zinnen van India naar China.
De ambassades in Islamabad zijn veilig gepositioneerd binnen een 'politieke enclave'. Het bezoeken van een ambassade is daardoor een pittige opgave omdat oneindig veel veiligheidscontroles doorlopen moeten worden. Eenmaal bij de Chinese ambassade aangekomen trof ik daar een rij van wel tweehonderd Pakistanen die allemaal naar China wilden. Als ik netjes achter in de rij had aangesloten dan had ik daar gegarandeerd een week later nog gestaan. Ik besloot daarom - zo brutaal als mogelijk - langs de rij af naar voren te lopen en ondertussen, terwijl ik mijn paspoort in de lucht hield, te roepen "Foreigner, foreigner, foreigner!". Wonder boven wonder slaagde mijn plan en een paar minuten later stond ik aan de balie tegenover een ontzettend chagrijnige diplomaat. Het was voor mij al snel duidelijk dat deze man het mij erg moeilijk wilde maken, dus besloot ik hoog in te zetten door te vragen om een multiple entry visa dat een jaar geldig is - iets wat praktisch nooit vergeven wordt. Maar dankzij deze tactische bluf gaf de chagrijn me een double entry visa van twee keer dertig dagen - iets wat redelijk uitzonderlijk is voor deze ambassade.
Ik heb de chagrijn nog moeten smeken om het visum binnen twee dagen klaar te maken en na een paar geërgerde blikken en zuchten ging hij akkoord. Tevreden liep ik van de Chinese ambassade vandaan en toevallig kwam ik langs de ambassade van Kirgizië - een land waar ik vanwege de ligging en het landschap altijd al een bijzondere belangstelling heb gehad. Een paar tellen bleef ik voor het ambassadegebouw stilstaan, denkend aan hoe bijzonder het zou zijn om Kirgizië aan mijn reis toe te voegen. Een paar tellen later was ik al bezig met het invullen van de aanvraagformulieren voor een toeristenvisum.
Al met al heb ik er een kleine week voor in de zustersteden Rawalpindi en Islamabad moeten blijven en er waren 26 taxi- en busritjes voor nodig, maar ik kon me zeer gelukkig prijzen met twee verse stickers - visa voor China en Kirgizië - in mijn paspoort!
Na mijn geslaagde bureaucratische inspanningen om visums te verkrijgen werd het tijd voor fysieke, avontuurlijke inspanningen. Dus op naar de bergen van Pakistan! Om daar te komen moest ik eerst een 24 uur durende busreis van Rawalpindi naar Gilgit in het noorden van Pakistan overleven. Het werden de meest verschrikkelijke 24 uur uit mijn leven. De weg was ontzettend hobbelig en zat vol gaten. De bus was felgekleurd en versierd met allerlei tierelantijntjes, maar schijnbaar alleen om passagiers af te leiden van de ernstige tekortkomingen. De buschauffeur was van het type dat als kamikaze-piloot veel succes zou hebben - ik denk dat hij de rem slechts één keer gebruikt heeft: bij aankomst. Door de combinatie van weg, bus en bestuurder leek het alsof ik in zo'n angstaanjagende kermisattractie was beland. Of alsof ze mij vastgebonden hadden aan een op hol geslagen paard. Of alsof ik in een massagestoel zat dat een eigen leven was gaan leiden. Slapen in de bus was onmogelijk en van de 24 uur dat de busreis duurde heb ik iedere seconde bewust meegemaakt. Tegen de tijd dat de bus Gilgit binnengaloppeerde zat ik onder de blauwe plekken, ik had overal spierpijn en zelfs mijn botten waren door elkaar geschud en deden pijn. Ik besloot om een paar dagen rust te nemen.
Ondanks de ellende bracht de busrit twee komische gebeurtenissen die ik niet snel zal vergeten. De eerste was tijdens een korte busstop, waarvan ik en alle andere passagiers (allemaal Pakistaanse mannen) gebruik maakte om de blaas te legen. Ik deed mijn plasje op de manier die ons gewoon is: staand. De Pakistani deden hun plasje op de hun gebruikelijke methode: gehurkt! Het tafereel dat dit opleverde moet een meesterlijk Kodak-moment zijn geweest.
Het tweede gebeuren waar ik veel plezier in had was bij de politie-checkpoint voor buitenlanders. Daar werd ik - als enige buitenlander in de bus - door de buschauffeur naar een douanehokje begeleidt waar een grenswacht mijn naam en paspoortnummer in een aftands boekje moest schrijven. De grenswacht was - nadat de chauffeur hem uit bed had geroepen - verrast om een buitenlander te zien. Het was alweer een tijdje geleden dat er een buitenlander gepasseerd was, aldus de lange, slome grenswacht. De chauffeur en ik zaten vervolgens een kwartier zwijgend op het bed van onze thee te nippen en cricket op tv te kijken voordat de grenswacht begon met het noteren van mijn gegevens. Toen hij klaar was dook hij weer in bed en liep ik terug naar de bus, me schuldig voelend tegenover de buspassagiers dat ze zo lang op mij moesten wachten. Maar de reacties van de passagiers waren alles behalve wat ik verwachtte: ze boden hun excuses aan voor het feit dat de overheid de reizigers het zo lastig maken!
In het gebied rond Gilgit in het noorden van Pakistan komen drie gebergtes bij elkaar. Dat zijn de Pamirs, de Karakoram en de Hindu Kush. Deze reusachtige bergketens vormen natuurlijke barrières voor de mens. Dat maakt dat in de geschiedenis al vele malen is geprobeerd het gezag te krijgen over de strategisch vitale regio rond Gilgit (onder andere door de Grieken onder Alexander, de Persen, de Turken, de Engelsen en de Russen, om er maar een paar te noemen). Het gebied valt officieel onder de Pakistaanse autoriteit, maar in de praktijk is het een wetteloos gebied waar Al Quada trainingskampen gevestigd zijn en waar regelmatig een Taliban-kopstuk wordt gesignaleerd. Sla een willekeurige atlas open en je zult zien dat landgrenzen in deze regio door de kartograaf - die er blijkbaar geen raad mee weet - met stippellijnen zijn aangegeven.
De regio Gilgit is altijd al een belangrijke doorgang geweest waar kennis, cultuur en religie overgebracht werden, door legers, missionarissen en - bovenal - handelaren die de smalle wegen en passages gebruikten tussen de drie bergketens. De wegen en passages staan tegenwoordig bekend als de Zijde Route.
Vanuit Gilgit loopt een zo'n route in noordelijke richting naar de Chinese grens. Dat is de Karakoram-weg, ook wel het achtste wereldwonder genoemd. Ik heb deze Karakoram-weg genomen en zodoende in negen dagen tijd de afstand naar Kasghar in China afgelegd. Alsof dat nog niet spectaculair genoeg was heb ik een groot gedeelte - samen met een Italiaan genaamd Fabio - liftend afgelegd. We liften mee met alles wat op de weg voorbij kwam. Jeeps, mini-busjes, maar vooral veel tractors. Het was een prachtig avontuur waar het tv-programma Peking Express niet aan kan tippen. Het mooiste lift-moment was toen Fabio en ik drie uur lang tussen de bagage op het dak van een bus lagen, met vandaaruit een onbelemmerd uitzicht op een magnifiek landschap.
Des te noordelijker we op de Karakoram-weg reden des te meer slingerde en klom de weg tegen al maar hoger wordende bergen. Hoe hoger de bergen werden hoe intenser de groene velden in de vallei schenen. Het was herfst en het groen maakte in de loop van de week dat ik er was plaats voor geel en oranje, dat als een schilderij aftekende tegen de besneeuwde bergen en de heldere hemel. Je kon er genieten - als je geen last had van hoogtevrees - van de grijze en bruine overhangende rotsen tot en met een paar honderd meter boven je en van de Indus-rivier die een paar honderd meter langs de afgerond beneden je stroomde.
Ik heb in Pakistan - van zuid naar noord - bijna 2500 kilometer afgelegd en zodoende heb ik de diversiteit van de Pakistaanse bevolking kunnen ervaren. Terwijl ik door het land reisde zag ik de fysieke kenmerken van de bevolking veranderen en hoorde ik steeds een andere taal om me heen gesproken worden. Het is daarom ook onmogelijk de Pakistaan in een paar zinnen te omschrijven.
Wat van zuid tot noord wel hetzelfde bleef was de geslachtsverhouding op straat: buiten de deur kwamen alleen maar mannen en zelden zag ik een vrouw. De vrouwen die ik gezien heb waren bescheiden in gedrag maar droegen prachtige gewaden in de kleuren van Fruitella-papiertjes. Ik heb er in twee weken Pakistan helaas niet een kunnen spreken.
Het laatste wat ik nog over Pakistan kwijt wil is dat het traditionele eten er verrukkelijk was. Ik heb er onwijs genoten van de heerlijke kip-met-rijstgerechten en van de malse blokjes rundvlees die met behulp van een stukje pita-brood naar de mond werden gebracht. Het had de vleesbereiding zoals ze dat in het Midden-Oosten doen, vermengd met de kruiden zoals we dat uit India kennen. Toegegeven, de keuze in gerechten was gering - maar omdat ik van het Pakistaanse eten maar geen genoeg kon krijgen ging ik soms wel drie keer per dag uiteten!
Abonneren op:
Reacties (Atom)