Om met de eerste doelstelling te beginnen: het moment dat ik koos voor mijn reis door Pakistan had niet slechter kunnen zijn. Het was er sinds lange tijd niet meer zo onrustig geweest dan in de twee weken dat ik er was. Het land was in de ban van verkiezingen en elke dag werd door de Taliban wel ergens een grote aanslag gepleegd. Het vuurgevecht tijdens een van de aanslagen, in Rawalpindi, waarbij negentien mensen om het leven kwamen was vanuit het hotel waar ik verbleef te horen. Overal waar ik kwam waren de spanningen omtrent de verkiezingen en de aanslagen voelbaar, al was het alleen maar omdat ik me moest overgeven aan de eindeloze veiligheidsmaatregelen.
Maar ondanks de onrusten heb ik me geen moment onveilig gevoeld en ik ben er van overtuigd dat ik geen roekeloze risico's heb genomen. Wel was mijn spannende avontuur in Pakistan - een land in oorlog - het meest gewaagde wat ik ooit gedaan heb.
Direct na mijn aankomst in Pakistan drong het tot me door dat het zwaarste deel van mijn reis ging beginnen. Tot dat moment was mijn reis meer een plezierreisje geweest; Pakistan was ander koek. Tijdens de reis van het luxueuze Dubai naar de chaos die Karachi heet - een havenstad met 16 miljoen inwoners - kreeg ik het gevoel dat ik de beschaving achter me liet. De gebouwen in Karachi zagen eruit alsof de bouwvakkers het halverwege het bouwproces wel welletjes vonden. Wegen vol diepe kuilen liepen alle richtingen uit en lagen vol met afval. Overal waar ik keek was het ronduit smerig. De lucht was er zo vervuild dat bij iedere ademhaling ik twee keer moest kuchen.
Het duurde even voordat ik gewend raakte aan het straatbeeld, mede omdat veel Pakistani een shalwar qamiz dragen, een wijd katoenen broekpak waarvan ik tot dat moment alleen wist dat Osama en zijn strijders het droegen. Op elke straathoek in Pakistan stonden mannen, met baard en in shalwar qamiz, die er uitzagen alsof ze zojuist waren teruggekeerd van een gevecht in de bergen met de moedjahedien in Afghanistan.
Ik verbleef in Karachi in een betonnen hotel, waar de stroomvoorziening slechts de helft van de tijd werkte, waar warm water een utopie was en waar regelmatig de lucht van een overstroomde hurk-wc de kamers binnen trad.
Maar de lappendeken van bazaars in het centrum van Karachi maakte voor mij veel goed. Het gaf me een zinderende energie, een energie die alleen ontstaat op plekken waar teveel mensen met te weinig leefruimte proberen het hoofd boven water te houden.
Ik bleef drie dagen in Karachi en vermaakte me voornamelijk met ritjes in autoriksja's en kipkebab eten van kraampjes langs de weg, met alle risico's vandien. Vanuit Karachi nam ik vervolgens de trein die me in 22 uur naar Rawalpindi zou brengen. Tijdens een lange reis kan veel afhangen van wie er naast je zitten in de bus of trein. Een saaie of irritante compagnon kan een aangename reis in één klap doen omslaan. Elke keer was het weer spannend bij wie ik ditmaal kwam te zitten. Aan het begin van mijn reis naar 'Pindi werd ik in een coupé geplaatst waarin vijf mannen zaten die eruitzagen alsof ze zojuist een bom in een 747 hadden geplaatst. De bebaarde mannen leefden in het grensgebied met Afghanistan en waren van dezelfde clan als waar de Taliban ook toebehoord. Ik vreesde een zware reis tegemoet te gaan, maar zodra ik duidelijk had gemaakt dat ik niet uit Amerika kwam bleek het tegendeel waar te zijn. Tijdens de reis werd ik beschouwd als hun eregast. Ik werd overladen met eten en ze spraken me aan met 'Mister Frenk'. Ik kon het onzettend goed vinden met mijn nieuwe vrienden en even overwoog ik om op hun voorstel in te gaan en met ze mee naar Peshawar te gaan. Maar ook al zou ik met dit gezelschap in goede handen zijn geweest, een reis naar oorlogsgebied was zelfs voor mij een brug te ver.
Ik kwam naar Rawalpindi om vandaaruit in Islamabad - het brave alter ego van 'Pindi en de hoofdstad van Pakistan - visa te regelen voor het vervolg van mijn reis. Aanvankelijk was mijn plan om na Pakistan naar India te gaan, maar omdat het verkrijgen van een visum voor India in Islamabad minstens tien dagen in beslag zou nemen verzette ik mijn zinnen van India naar China.
De ambassades in Islamabad zijn veilig gepositioneerd binnen een 'politieke enclave'. Het bezoeken van een ambassade is daardoor een pittige opgave omdat oneindig veel veiligheidscontroles doorlopen moeten worden. Eenmaal bij de Chinese ambassade aangekomen trof ik daar een rij van wel tweehonderd Pakistanen die allemaal naar China wilden. Als ik netjes achter in de rij had aangesloten dan had ik daar gegarandeerd een week later nog gestaan. Ik besloot daarom - zo brutaal als mogelijk - langs de rij af naar voren te lopen en ondertussen, terwijl ik mijn paspoort in de lucht hield, te roepen "Foreigner, foreigner, foreigner!". Wonder boven wonder slaagde mijn plan en een paar minuten later stond ik aan de balie tegenover een ontzettend chagrijnige diplomaat. Het was voor mij al snel duidelijk dat deze man het mij erg moeilijk wilde maken, dus besloot ik hoog in te zetten door te vragen om een multiple entry visa dat een jaar geldig is - iets wat praktisch nooit vergeven wordt. Maar dankzij deze tactische bluf gaf de chagrijn me een double entry visa van twee keer dertig dagen - iets wat redelijk uitzonderlijk is voor deze ambassade.
Ik heb de chagrijn nog moeten smeken om het visum binnen twee dagen klaar te maken en na een paar geërgerde blikken en zuchten ging hij akkoord. Tevreden liep ik van de Chinese ambassade vandaan en toevallig kwam ik langs de ambassade van Kirgizië - een land waar ik vanwege de ligging en het landschap altijd al een bijzondere belangstelling heb gehad. Een paar tellen bleef ik voor het ambassadegebouw stilstaan, denkend aan hoe bijzonder het zou zijn om Kirgizië aan mijn reis toe te voegen. Een paar tellen later was ik al bezig met het invullen van de aanvraagformulieren voor een toeristenvisum.
Al met al heb ik er een kleine week voor in de zustersteden Rawalpindi en Islamabad moeten blijven en er waren 26 taxi- en busritjes voor nodig, maar ik kon me zeer gelukkig prijzen met twee verse stickers - visa voor China en Kirgizië - in mijn paspoort!
Na mijn geslaagde bureaucratische inspanningen om visums te verkrijgen werd het tijd voor fysieke, avontuurlijke inspanningen. Dus op naar de bergen van Pakistan! Om daar te komen moest ik eerst een 24 uur durende busreis van Rawalpindi naar Gilgit in het noorden van Pakistan overleven. Het werden de meest verschrikkelijke 24 uur uit mijn leven. De weg was ontzettend hobbelig en zat vol gaten. De bus was felgekleurd en versierd met allerlei tierelantijntjes, maar schijnbaar alleen om passagiers af te leiden van de ernstige tekortkomingen. De buschauffeur was van het type dat als kamikaze-piloot veel succes zou hebben - ik denk dat hij de rem slechts één keer gebruikt heeft: bij aankomst. Door de combinatie van weg, bus en bestuurder leek het alsof ik in zo'n angstaanjagende kermisattractie was beland. Of alsof ze mij vastgebonden hadden aan een op hol geslagen paard. Of alsof ik in een massagestoel zat dat een eigen leven was gaan leiden. Slapen in de bus was onmogelijk en van de 24 uur dat de busreis duurde heb ik iedere seconde bewust meegemaakt. Tegen de tijd dat de bus Gilgit binnengaloppeerde zat ik onder de blauwe plekken, ik had overal spierpijn en zelfs mijn botten waren door elkaar geschud en deden pijn. Ik besloot om een paar dagen rust te nemen.
Ondanks de ellende bracht de busrit twee komische gebeurtenissen die ik niet snel zal vergeten. De eerste was tijdens een korte busstop, waarvan ik en alle andere passagiers (allemaal Pakistaanse mannen) gebruik maakte om de blaas te legen. Ik deed mijn plasje op de manier die ons gewoon is: staand. De Pakistani deden hun plasje op de hun gebruikelijke methode: gehurkt! Het tafereel dat dit opleverde moet een meesterlijk Kodak-moment zijn geweest.
Het tweede gebeuren waar ik veel plezier in had was bij de politie-checkpoint voor buitenlanders. Daar werd ik - als enige buitenlander in de bus - door de buschauffeur naar een douanehokje begeleidt waar een grenswacht mijn naam en paspoortnummer in een aftands boekje moest schrijven. De grenswacht was - nadat de chauffeur hem uit bed had geroepen - verrast om een buitenlander te zien. Het was alweer een tijdje geleden dat er een buitenlander gepasseerd was, aldus de lange, slome grenswacht. De chauffeur en ik zaten vervolgens een kwartier zwijgend op het bed van onze thee te nippen en cricket op tv te kijken voordat de grenswacht begon met het noteren van mijn gegevens. Toen hij klaar was dook hij weer in bed en liep ik terug naar de bus, me schuldig voelend tegenover de buspassagiers dat ze zo lang op mij moesten wachten. Maar de reacties van de passagiers waren alles behalve wat ik verwachtte: ze boden hun excuses aan voor het feit dat de overheid de reizigers het zo lastig maken!
In het gebied rond Gilgit in het noorden van Pakistan komen drie gebergtes bij elkaar. Dat zijn de Pamirs, de Karakoram en de Hindu Kush. Deze reusachtige bergketens vormen natuurlijke barrières voor de mens. Dat maakt dat in de geschiedenis al vele malen is geprobeerd het gezag te krijgen over de strategisch vitale regio rond Gilgit (onder andere door de Grieken onder Alexander, de Persen, de Turken, de Engelsen en de Russen, om er maar een paar te noemen). Het gebied valt officieel onder de Pakistaanse autoriteit, maar in de praktijk is het een wetteloos gebied waar Al Quada trainingskampen gevestigd zijn en waar regelmatig een Taliban-kopstuk wordt gesignaleerd. Sla een willekeurige atlas open en je zult zien dat landgrenzen in deze regio door de kartograaf - die er blijkbaar geen raad mee weet - met stippellijnen zijn aangegeven.
De regio Gilgit is altijd al een belangrijke doorgang geweest waar kennis, cultuur en religie overgebracht werden, door legers, missionarissen en - bovenal - handelaren die de smalle wegen en passages gebruikten tussen de drie bergketens. De wegen en passages staan tegenwoordig bekend als de Zijde Route.
Vanuit Gilgit loopt een zo'n route in noordelijke richting naar de Chinese grens. Dat is de Karakoram-weg, ook wel het achtste wereldwonder genoemd. Ik heb deze Karakoram-weg genomen en zodoende in negen dagen tijd de afstand naar Kasghar in China afgelegd. Alsof dat nog niet spectaculair genoeg was heb ik een groot gedeelte - samen met een Italiaan genaamd Fabio - liftend afgelegd. We liften mee met alles wat op de weg voorbij kwam. Jeeps, mini-busjes, maar vooral veel tractors. Het was een prachtig avontuur waar het tv-programma Peking Express niet aan kan tippen. Het mooiste lift-moment was toen Fabio en ik drie uur lang tussen de bagage op het dak van een bus lagen, met vandaaruit een onbelemmerd uitzicht op een magnifiek landschap.
Des te noordelijker we op de Karakoram-weg reden des te meer slingerde en klom de weg tegen al maar hoger wordende bergen. Hoe hoger de bergen werden hoe intenser de groene velden in de vallei schenen. Het was herfst en het groen maakte in de loop van de week dat ik er was plaats voor geel en oranje, dat als een schilderij aftekende tegen de besneeuwde bergen en de heldere hemel. Je kon er genieten - als je geen last had van hoogtevrees - van de grijze en bruine overhangende rotsen tot en met een paar honderd meter boven je en van de Indus-rivier die een paar honderd meter langs de afgerond beneden je stroomde.
Ik heb in Pakistan - van zuid naar noord - bijna 2500 kilometer afgelegd en zodoende heb ik de diversiteit van de Pakistaanse bevolking kunnen ervaren. Terwijl ik door het land reisde zag ik de fysieke kenmerken van de bevolking veranderen en hoorde ik steeds een andere taal om me heen gesproken worden. Het is daarom ook onmogelijk de Pakistaan in een paar zinnen te omschrijven.
Wat van zuid tot noord wel hetzelfde bleef was de geslachtsverhouding op straat: buiten de deur kwamen alleen maar mannen en zelden zag ik een vrouw. De vrouwen die ik gezien heb waren bescheiden in gedrag maar droegen prachtige gewaden in de kleuren van Fruitella-papiertjes. Ik heb er in twee weken Pakistan helaas niet een kunnen spreken.
Het laatste wat ik nog over Pakistan kwijt wil is dat het traditionele eten er verrukkelijk was. Ik heb er onwijs genoten van de heerlijke kip-met-rijstgerechten en van de malse blokjes rundvlees die met behulp van een stukje pita-brood naar de mond werden gebracht. Het had de vleesbereiding zoals ze dat in het Midden-Oosten doen, vermengd met de kruiden zoals we dat uit India kennen. Toegegeven, de keuze in gerechten was gering - maar omdat ik van het Pakistaanse eten maar geen genoeg kon krijgen ging ik soms wel drie keer per dag uiteten!
