Over land van hier naar daar..


Mijn route door Azie weergeven op een grotere kaart

17 december 2009

Laos

De enige grensovergang tussen China en Laos ligt ver weg van de bewoonde wereld in een dicht oerwoud en om er te komen moest ik een lange nacht in een Chinese slaapbus doorbrengen. Toen ik bij de grens aankwam werd het al meteen duidelijk dat ik naar een land ging dat totaal anders is dan al mijn vorige landen.
Aan de Chinese zijde van de grens stond temidden van een plakkaat asfalt een groot, wit gebouw. Het had zo'n lelijk McDonalds-restaurant kunnen zijn als het in Nederland langs de snelweg stond, maar het was een uit de kluiten gewassen douanekantoor. De Laotiaanse grenspost was daarentegen niets meer dan een houten hut op een modderige open plek. Waar de Chinese douanebeambten nog ontzettend moeilijk deden over mijn baard die niet op mijn paspoortfoto stond werd ik door de Laotianen vriendelijk ontvangen met een spontane groet ('sabaidie!') en een grote glimlach.
Toen ik alle benodigde paspoortstempels verzameld had liep ik door de jungle naar Laos, over een geasfalteerde weg die precies op de grens overging in een modderig landweggetje. Even verderop vond ik een gehavend busje - dat zo te zien al een zwaar leven achter de rug had - dat mij verder Laos in zou brengen. Na ongeveer tien uur rijden (de bus kreeg onderweg twee lekke banden) over hobbelige weggetjes en langs bamboehutten kwam ik aan in Luang Prabang, de eerste Laotiaanse stad na de grens.

Ik heb in de twee weken dat ik in Laos was voor een groot gedeelte de Mekong-rivier stroomafwaarts gevolgd. De plaatsen die ik bezocht heb zijn Luang Prabang, Vang Vieng, Vientiane, Pakse, Lad Lo en Don Det. Een gedeelte van deze route vormt een onderdeel van de populaire 'bananenpannenkoekenroute' waardoor ik me in een klap tussen een horde toeristen bevond die allemaal dezelfde route door Zuidoost-Azie reisden.
Het was voor mij wel een shock om ineens zoveel toeristen om me heen te hebben. Tussen Istanbul en Laos kwam ik slechts zo nu en dan andere reizigers tegen. Af en toe waren het verdwaalde hippies, gekleed in wijde broeken en losse hemden en met een bos dood haar op hun hoofd. Maar meestal waren de reizigers die ik in het Midden-Oosten en in Centraal Azie tegenkwam echte avonturiers, die de hoogste bergen beklommen, die op de fiets de wereld rondgingen of vaak nog veel eigenaardigere avonturen. Zo ontmoette ik een Zwitser die op een ezel door Azie reisde, een Duitser die met zijn twee bouviers in Afghanistan ging wandelen en een Deens echtpaar dat al voor anderhalf jaar op huwelijksreis was!

In China was het weer een heel ander soort reiziger dat ik tegenkwam. Zo trof ik in Chengdu veel westerlingen die op weg waren naar Tibet. Ik kon het vaak niet zo goed met de Tibetgangers vinden omdat zij alleen maar over Tibet en de Dalai Lama praatten, en er probeerde altijd wel iemand tegen mij de expert uit te hangen over Chinese politiek. Daar zaten overigens veel Nederlandse vakantiegangers tussen, voornamelijk dertigers die in een dure North Face-outfit rondliepen en die dagelijks minstens een tube anti-bacteriële handgel opmaakten. Ze hadden bij Djoser een kant-en-klare reis geboekt en kregen zodoende de complete China-ervaring in hapklare brokjes opgediend. Ik moet zeggen dat ik ook wel een beetje jaloers op ze was omdat zij wel naar Tibet gingen (en dat ik daarom een beetje cynisch en wantrouwend tegenover hun manier van reizen stond).
Nee, in Laos trof ik weer een totaal ander type reiziger aan, namelijk de feestjongeren, jongenlui van mijn leeftijd die net als ik nog niet aan het arbeidersleven wilden beginnen. Maar in tegenstelling tot mij reisden zij op kosten van pappie en waren zij voornamelijk geïnteresseerd in zonnebaden en drinken en roken en waar ze verder ook maar op kickten.

Van alle plaatsen die ik in Laos bezocht was Vang Vieng het meest bizar. Ik was nog maar net gearriveerd en ik werd al bijna overhoop gelopen door een Duitser die naakt over straat rende terwijl hij een bierfles tussen zijn billen geknepen hield. Even verderop stonden drie dronken Engelse meiden in hun bikini met ieder een fles rode wodka in de hand midden op straat te dansen (alhoewel, hoelahoepen met de vetrollen misschien een betere omschrijving is). Het leek wel of Vang Vieng compleet was overgenomen door de rugzaktoeristen. De restaurants waren uitgerust met grote tv-schermen waarop dag en nacht domme Hollywood-series werden getoond. En het gekke was dat de terrassen dag en nacht gevuld waren, met Amerikanen die afreisden naar een van de mooiste landen ter wereld om daar dronken te worden tijdens het kijken van oude afleveringen van Friends.
Maar het was uiteraard niet alleen de alcohol die de jongeren er toe deed bewegen om in allerlei stadia van naaktheid gillend over straat te rennen. Je kon er namelijk voor heel weinig geld je pizza of shake 'happy' laten maken. Dat die toevoeging niet altijd zuivere koffie was bleek wel toen ik op een avond op het terras de Finse jongen zag zitten met wie ik de avond ervoor op diezelfde plek een biertje had gedronken. 'Goh, zit je hier nu al weer?' vroeg ik toen ik naar hem toe liep. 'Nee, ik zit hier nogsteeds!' antwoordde de Fin. Hij had de avond ervoor een happy-shake genomen en zat nu al vierentwintig uur klaarwakker naar Simpsons te kijken!

Ik vond het allemaal maar niks. Gelukkig was het voor mij niet moeilijk om de westerse jeugd in Laos te vermijden, want ze waren kortzichtig en gebruikten allemaal dezelfde Lonely Planet-reisgids. In Vang Vieng bijvoorbeeld hoefde ik maar vijf minuten te lopen om me te omringen met landschappelijke schoonheid waar geen westerling te bekennen was. Ik heb er dan ook veel gewandeld, door de rijstvelden en in de hoge, glooiende heuvels bedekt met weelderige jungle. Daarnaast huurde ik regelmatig een fiets of motorfiets om gebieden van Laos te bezichtigen waar het leven nog oorspronkelijk, ongerept en onbedorven was. En wanneer ik me aan het einde van de dag weer mengde in het backpackwereldje vond ik altijd wel iemand om een biertje mee te drinken.
Eten deed ik - zoals altijd al tijdens de reis - vooral bij kraampjes langs de weg (als ik de GG&GD moet geloven dan had ik al lang overleden moeten zijn aan voedselvergiftiging). Dus terwijl de toeristen kozen voor Family Guy bij hun dure burger met friet ging ik op zoek naar een straatstalletje om te midden van de lokale bevolking een bordje gebakken rijst of een kommetje noedels met slappe groeten te eten.
De toeristen lieten zich door Laos rijden in superdeluxe VIP-express aircobussen en ook dat vond ik maar niks. Ik probeerde zoveel mogelijk mijn eigen vervoer te regelen door langs de weg te gaan staan en maar af te wachten wie of wat me mee zou nemen. Zo zat ik op weg naar Vientiane een hele middag op een plastic tuinstoel tussen de zakken rijst in de laadbak van een pickup-auto. Ik vond het prachtig, en de dorpelingen ook!

Ik besloot de laatste vier dagen van mijn bezoek aan Laos door te brengen op een klein eilandje in de Mekong, in een gebied dat 'De 4000 Eilanden' heet (wat ik een schitterende naam vind omdat het suggereert dat er ooit iemand op uit is gestuurd om de eilanden te tellen, maar die vlieger gaat voor de relaxte Laotianen natuurlijk niet op). Ik vond er een vervallen bungalow aan de waterkant dat ik van een boerenfamilie kon huren voor 15.000 KIP per dag (iets meer dan een euro). Het was een eenvoudig hutje van hout, bamboe en gevlochten palmbladeren en er was geen elektriciteit of stromend water aanwezig. In de bungalow lag een oud matras en op de veranda hing een hangmat - meer heb je toch ook niet nodig - en een scala aan insecten en reptielen kreeg ik er gratis bij. Iedere morgen werd ik gewekt door het gekraai van de schorre hanen die onder de bungalow zaten. In de rivier waar ik vanuit mijn hangmat op uit keek vermaakten jochies zich door van een koe te springen die ze tot buikhoogte in het water hadden gezet. Een vet, albino varken moest ik steeds weer van mijn veranda afschoppen omdat het beest het leuk vond de deur te blokkeren. Maar dat was dan ook het meest inspannende wat ik deed, want verder deed ik er al de dagen... niks!
Toen ik niet meer wist hoe lang ik al op het eiland zat leek het mij tijd om verder te gaan. Ik ging in een boomstamkano met buitenboordmotor naar het dichtstbijzijnde dorpje op het vaste land. Daar vond ik een man die mij achter op zijn brommer naar de grens wilde brengen, 25 kilometer verderop. Even later liep ik met tegenzin de grens over naar Cambodja, want ik vond het heel jammer Laos - mijn nieuwe favoriete land! - te moeten verlaten.

1 december 2009

China [deel 2]

Mijn tweede bezoek aan China tijdens deze reis duurde twaalf dagen en in die twaalf dagen heb ik China diagonaal doorkruist, van de Kazachstaanse grens helemaal tot aan Laos - een afstand van bijna 5000 kilometer. Ik moet toegeven dat ik het reizen in China lichtelijk onderschat heb. De afstanden die ik moest afleggen waren bedrieglijk groot, de treinen en bussen waren langzamer dan ik had verwacht en de irritante Chinezen brachten mij regelmatig tot wanhoop. Uiteindelijk heb ik om China door te komen drie keer een halve etmaal en vier keer een hele etmaal in de trein en bus doorgebracht.

Om in China te komen nam ik vanuit Almaty in Kazachstan een bus naar de dichtstbijzijnde Chinese stad, Urumqi. De rit nam 22 uur in beslag en ik bleek weer eens een zeer interessante bus te hebben uitgekozen, want al mijn medepassagiers waren vrouwen die naar de dokter gingen! De kazachstaanse vrouwen ondernamen deze trip omdat, zo vertelden ze mij, de gezondheidszorg in China goedkoper en beter is dan in Kazachstan.
Als enige mannelijke passagier (toevallig ook een knappe, gezellige westerling) had ik tijdens de busreis aan belangstelling geen gebrek. Door een vrouw die een beetje Duits sprak werden de vragen die ze mij stelden en mijn antwoorden daarop vertaald. Hoe ik het ze ook uitlegde, het gezelschap van vrouwen kon maar niet geloven dat iemand het leuk vindt om in zijn eentje door Azie te reizen. Net zoals ze in Iran maar niet begrepen dat ik een atheist ben en zoals ze in Pakistan maar niet konden geloven dat ik geen millionair ben, zo konden de Kazachstaanse vrouwen niet begrijpen waarom iemand alleen door Azie gaat reizen. Ik vrees dat hun uiteindelijke conclusie was dat ik geestelijk niet helemaal in orde ben en dat ik maar beter met ze mee kon gaan naar de dokter.
In zekere zin deed ik dat ook, want voordat we China in mochten werden we door Chinezen met doktersjassen en mondkapjes onderworpen aan een medisch onderzoek!
China is een beetje paranoide als het gaat om ziektes, daarom werden we bij de grens eerst naar een klein ziekenhuisje gestuurd met de lange naam: Foreign Affairs Custom Frontier Inspection & Qarantine and Management Department of International Road Transportation. De Chinezen namen daar onze lichaamtemperatuur op en we moesten een verklaring ondertekenen waarin dingen stonden over allerlei enge virussen. Ik vond het wel ironisch dat de Kazachstaanse vrouwen eerst gezond verklaard moesten worden voordat ze naar de dokter mochten.

Ik had in de bus amper geslapen en toen we de volgende morgen om half vijf in Urumqi aankwamen was ik niet te genieten. Ik gooide mijn tas en mijzelf in de dichtstbijzijnde taxi en om duidelijk te maken waar ik naar toe wilde deed ik naar de taxichauffeur iets van 'tjoeke tjoeke tuut tuut'. Even later werd ik bij het treinstation afgezet.
Omdat ik nog maar net in Urumqi was wist ik niet wat een taxirit mocht kosten, maar ik wist wel dat de chauffeur een veel te hoog bedrag van mij wilde. Ik, nog steeds last van een ochtendhumeur, weigerde het gevraagde bedrag te geven en zo ontstond het eerste akkefietje tussen mij en een Chinees die geld wilde zien. Helaas zouden tijdens mijn verdere verblijf in China nog veel van dit soort incidenten volgen, want zodra ze een buitenlander als klant hadden werden de prijzen pardoes verdubbeld. Veel Chinezen waren nors, hadden een arrogante houding en ze vertikten het om normaal met mij te communiceren. Ik deed een poging om het opstootje tussen mij en de taxichauffeur op te lossen door hem de helft van het gevraagde bedrag te geven. De chauffeur was er 'suprise, suprise' niet blij mee, hij liep rood aan en begon Kungfu-bewegingen te maken. Ik pakte snel mijn tas en ging het stationsgebouw in.

Toen ik even later bij het ticketloket vooraan in de rij stond bestelde ik een kaartje voor de trein die dezelfde ochtend nog zou vertrekken naar Lanzhou - een reis van 26 uur. Wanneer je in China met de trein reist dan heb je de keuze uit vier verschillende klassen, te weten (in volgorde van prijs) harde stoel, zachte stoel, hard bed en zacht bed. Omdat ik bij mijn reis de filosofie aanhoud om alles zo goedkoop mogelijk te doen vroeg ik zonder er verder bij na te denken om een harde stoel. De man achter het loket vroeg mij met opgetrokken wengbrauwen van verbazing of hij het goed verstaan had en ik zei nogmaals dat ik het goedkoopste kaartje wilde.
Naast het loket hing een beeldscherm waarop de bestellingen te zien waren. De Chinezen achter mij in de rij keken - nieuwsgierig als ze zijn - mee op het beeldscherm om te zien wat voor een ticket ik kocht. Toen er op het scherm kwam te staan dat ik gekozen had voor een harde stoel ontstond er beroering achter me in de rij. Op dat moment bevroedde ik al dat ik een grote fout maakte.
Toen ik even later in de trein mijn plek gevonden had werd mijn vrees bevestigd. De stoelen zagen er precies zo uit als de titel 'stoel: hard' deed vermoeden. Daar mocht ik heel fijn 26 uur op gaan zitten.

De trein zag er verder best redelijk uit - vergelijkbaar met een Nederlandse intercity - en het interieur was schoon, althans, tot een paar minuten later de wagon volstroomde met Chinezen uit de onderkant van de samenleving. Ik weet dat het een ontzettend cliche-verhaal is, maar Chinezen kunnen verschrikkelijk ranzig zijn en de Chinezen die bij mij in de trein zaten waren daar een goed voorbeeld van. Ik voelde me al niet gelukkig, maar toen ik besefte dat ik meer dan een etmaal tussen Chinese boeren moest doorbrengen kon ik wel janken van ellende. Ze zagen er uit alsof ze in de stal tussen het vee leefden en als ik dat zo rook dan zou het mij niet verbazen als ze inderdaad eerder die dag naast een geit ontwaakten.
Ik keek de Chinezen met afschuw aan, de Chinezen staarden op hun beurt naar mij met een mengeling van verbazing en fascinatie, terwijl de kinderen vooral met angst naar mij keken. Allemaal namen ze rustig de tijd om mij van top tot teen visueel te bestuderen.
Tijdens de reis was er slechts een man die het aandurfde mij aan te spreken - in het Mandarijn, want Engels sprak niemand. Ik maakte hem duidelijk dat ik geen Chinees versta, waarop de man de vraag herhaalde, nog eens herhaalde en nog eens, terwijl hij steeds luider sprak. Toen hij door kreeg dat ik het echt niet verstond moet hij gedacht hebben dat ik doof was want hij pakte een pen en schreef in Chinese karakters zijn vraag op een papiertje en gaf het aan mij.
Wat de man hoogstwaarschijnlijk wilde weten was waar ik vandaan kom, dus ik probeerde op alle mogelijke manieren 'Netherlands', 'Holland' en 'Amsterdam' uit te spreken maar mijn medepassagiers begrepen het niet. Vervolgens probeerde ik ze te vertellen uit welk continent ik kom maar ze bleven mij verontwaardigd aangapen. In een laatste poging probeerde ik om op zijn minst duidelijk te maken dat ik van dezelfde planeet kom - dat ik geen alien ben - maar toen ik op dat punt was aangekomen had ik me verbaal en nonverbaal al zodanig belachelijk gemaakt dat de Chinezen zich verschrikt van mij afkeerden. De gesprekken die mijn medereizigers tijdens de rest van de reis hadden, waarbij ze regelmatig met aversie naar mij wezen, gingen ongetwijfeld over het beperkt verstandelijk vermogen van westerlingen.
In een trein met honderden mensen om me heen voelde ik me eenzamer dan ooit tevoren. De baterijen van mij Ipod waren leeg en ik had verder niks om me mee te vermaken. Zelfs het uitzicht vanuit de trein was saai, met enkel eindeloze grijze vlaktes en hier en daar een kale berg.

Helaas beschikten de Chinezen over nog veel meer middelen om mij het leven zuur te maken. Zo mocht ik tijdens de treinreis kennis nemen met allerlei smerige Chinese gewoontes, zoals het rochelen, spugen, snuiten zonder zakdoek, roken en slurpen. De Chinezen schraapten om de zoveel tijd met veel lawaai de keel om vervolgens het opgerochelde slijm op de vloer te deponeren - en in een coupe vol Chinezen kwam dat neer op een continu speeksel-bombardement, waarbij ze regelmatig als doelwit mijn schoenen en tas uitkozen. Alsof het rijtuig dan nog niet ranzig genoeg was werd ook ieder snotje - op de manier zoals voetballers dat doen - in het wilde weg richting de vloer of muur gesnoten. Het werd helemaal bizar toen passagiers die nacht op diezelfde vloer gingen liggen om te slapen!
En om het lijstje met ergernissen compleet te maken, de meeste Chinezen waren ook nog eens fanatieke rokers van vieze, dikke shag. Het leek wel of ze collectief aan een stuk bleven paffen om daarmee het bordje 'verboden te roken' dat boven de deur hing door de rook niet zichtbaar te houden.

Toen ik na de martelende rit - en ik had weer amper geslapen - arriveerde in Lanzhou was ik doodop, maar ik besloot, hoe gek het ook klinkt, meteen de trein voor de volgende etappe naar Chengdu te nemen. Ik was nog niet eens op de helft van China en de volgende rit beloofde wederom een hel te worden dus wilde ik dat liever meteen achter de rug hebben.
Toen ik een kaartje voor de de trein naar Chengdu ging kopen kreeg ik te horen dat het al uitverkocht was. Alleen voor de duurste klasse, de zachte bedden, kon ik nog een kaartje krijgen. Voor mij was dit geweldig nieuws, want nu kon ik mezelf op een bed in de eerste klasse trakteren en toch gehoorzamen aan mijn streven om alles zo goedkoop mogelijk te doen - er was simpelweg niks goedkopers.
De bedden waren inderdaad zacht en ze waren voorzien van schone, witte lakens. Een vriendelijke conductrice bracht een thermoskan warm water zodat ik een instant-noodle-maaltijd kon klaarmaken. Daarna kroop ik in mijn bedje - het was voor het eerst in 52 uur dat ik horizontaal lag - en viel in een diepe slaap. De trein deed er 14 uur over om van Lanzhou naar Chengdou te tuffen en bijna de hele trip heb ik geslapen.
Toen ik de volgende morgen de gordijnen open deed zag ik eindelijk het landschap dat ik altijd met China geassocieerd heb. De trein reed door een groen en weelderig heuvellandschap met op plekken waar het niet te stijl was een rijstveldje, en beneden in het dal stroomde het chocoladebruine water van de Yangtze-rivier. Ik heb een hele tijd met een grote grijns op mijn gezicht uit het raam zitten kijken, tot dat er enorme fabrieken in het beeld verschenen, die hun chemische troep in de rivier loosden. Het werd ineens heel erg mistig - ik realiseerde me later pas dat het smog was - en niet veel later bereikte de trein de metropool Chengdu (met 11 miljoen inwoners).
De luchtvervuiling in Chinese steden was erger dan in mijn meest pessimistische verwachting. De dikke, grijze smog die boven de steden hing gaven mij continu een koolmonoxide-smaak in de mond en in de vier dagen dat ik in Chengdu was heb ik door de smog niet een keer de zon gezien!

En zo verliepen de eerste drie dagen tijdens mijn tweede bezoek aan China. Na vervolgens vier dagen in Chengdu te hebben doorgebracht ben ik via Panzihua naar Lijiang gegaan. Een paar dagen later ben ik van Lijiang naar Kunming gereisd om van daaruit een dag later naar de grens met Laos te gaan.